38 — renaissance

Op donderdag 2 maart, in de actualiteitenrubriek Nieuwsuur, de aflevering waarin Alexander Pechtold aan de tand gevoeld werd, zwenkte de camera opeens naar het publiek en zoomde in op een man, een kerel op de voorste rij. Het was een psychopaat, dat zag ik meteen. Dat zie je zo. De man vertelde aan Pechtold dat hij nu 57 jaar was. Ik nam aan dat hij ging zeggen dat de pensioenleeftijd verlaagd moest worden naar 57. In plaats daarvan zei hij iets heel anders, van een heel ander kaliber, hij zei: ‘Ik wil dood. Niet pas op mijn 75e. Ik wil nu.’

Nederland, anno 2017. De eenentwintigste eeuw. Kiezers die op de televisie tegen een lijsttrekker zeggen dat zij dood willen.

Natuurlijk toonde Pechtold begrip voor de zaak, wilde het graag voor de man regelen, maar vroeg om enig geduld. Immers, Keulen en Aken gooi je ook niet in één dag plat. Als ik daar gezeten had, zou ik hebben geroepen: ‘Mijn naam is Pitt Hamson en wel hierom. Het is een groot wonder dat ik nog leef en ik vind het leven prima de luxe! Die meneer die dood wil, dat is een bal gehakt!’

Het rare is dat je niet tegen hem kunt zeggen: ‘Als u het hier niet bevalt, dan pleurt u maar op!’ Want hij wil juist oppleuren. Eindelijk iemand die het wil, dan mag het weer niet. Dat maakt de politiek zo boeiend en ingewikkeld. Mark Rutte zei later geen haast te hebben met een wet over stervenshulp bij een voltooid leven. Pechtold vond dat slap van hem. ‘Je laat mensen dan vier jaar lang in de kou staan,’ zei hij op de radio. Dat klopt, die mensen staan vier jaar lang in de kou, terwijl ze al die tijd in de kou hadden kunnen liggen. Diep in de koude grond begraven. Jarenlang moeten wachten op je dood is onmenselijk, tot je eindelijk een keer aan de beurt bent, daar weten verslaafden alles van.

De woorden van de man zetten mij aan het denken. Het zou het beste zijn wanneer hij de Dodenpartij oprichtte, voor mensen die dood willen. Niet in de peilingen, maar in werkelijkheid verliest de partij aan de lopende band haar zetels en haar leden. Er loopt nu zo veel gekkigheid rond op het Binnenhof, de Dodenpartij kan gemakkelijk aanschuiven. En trouwens: waarom is er geen alcoholpartij? Ligt hier een taak voor mijzelf? Geïnspireerd door de partij Denk, zou ik mijn partij kortweg noemen: Drank!

Of beter nog: ‘Denk Drank!’ Of ook, bijvoorbeeld: ‘Drank!, denk?’ Want zo praten de mensen in Castricum, met het rare ‘denk’ achter een zin. ‘Vandaag gaat het regenen, denk?’

Ach, Castricum. Ach, Beverwijk en Heemskerk, en ach, Uitgeest en Heiloo. Wat moest ik daar eigenlijk, in mijn jonge jaren? Nou ja, ik speelde daar gitaar in een band, dat was heerlijk. Maar wat moest ik er nú? Een week geleden was ik er, samen met Adri – alias Lange Poten, een van de Zes – en precies een jaar eerder waren we daar ook al. Nu voor de tweede maal op bezoek bij onze zorgenbroeder Michiel, nogmaals opgenomen in een gesticht. Deze woorden leest hij ook, hij is de cocaïnefetisjist, zijn geest raakte hierdoor op een zijspoor. Een dwaalspoor wil ik het niet noemen. Overmatig drugs- of drankgebruik is nu eenmaal niet best voor de bovenkamer van de verslaafde. Het zet geen zoden aan de dijk. Integendeel, het slaat er een bres in, vreemde gedachten stromen vrij naar binnen.

In de avond kwamen we er, rond een uur of zeven, we drukten op de bel van een gesloten afdeling. Een oogverblindend mooie verpleegkundige liet ons binnen, het lange haar, dat in golvende slagen over haar schouders viel, had zij in een betoverende zachtpaarse gloed gespoeld. Ik dacht: ‘Voor jóu wil een man als ik sterven.’ Adri, die eveneens volkomen hoteldebotel van haar was, zei later: ‘Zoiets moet je daarbinnen nooit hardop zeggen.’ Zij leidde ons een lange gang door, we liepen langs de werkkamer van geneesheer-directeur Klaas Bets, die een briefje op zijn deur geprikt had: ik wil niet gestoord worden!

Aan het eind van de gang passeerden we twee patiënten, somber keken zij voor zich uit, in het voorbijgaan hoorde ik de een tegen de ander zeggen:

‘Doe eens normaal, man!’
.De ander zei:
‘Doe zélf normaal!’

Eindelijk kwamen we in een kleine ontvangstruimte, een tafel, twee fauteuils, in een hoek van de kamer stond een patiënt die dacht dat hij een schemerlamp was. We hadden licht. Vergeet dat nooit, lezer, er is licht. Het ging redelijk goed met onze vriend. Hij kreeg nul medicijnen toegediend, ik wist niet wat ik hoorde! Eindelijk eens. Praten, veel sporten en zo veel mogelijk normaal doen, dat stond op het programma. Drie maanden lang had ik in de dagbehandeling van de Jellinek met hem opgetrokken. Hij had het daar uitstekend gedaan, geen terugvallen gehad. Daarna, na zijn ontslag wel, en flink ook.

Het voelde eigenlijk wel lekker, zo in de nacht, toen ik zag hoe die geschifte Turkse minister krijsend en scheldend ons land uit werd gekieperd. Wegwezen, gek wijf. En dan ga je ook. Nederland–Turkije: 1-0. Het gaf me een ouderwets wij-gevoel, iets wat het Nederlands elftal ons allang niet meer geven kan. Toen ging een groep Turkse Nederlanders op de Blaak staan. Nou ja, wij zijn ook jong geweest, toch? En ook zij hadden reden om zich na afloop lekker te voelen want als leeuwen hadden zij gevochten voor het verre vaderland. Nederland–Turkije: 1-1. Nou ja, als leeuwen? Na urenlang niks en één waterkannonnetje later, was het klaar. Er was een tijd dat dat heel anders ging… Nederlanders tegen Nederlanders… dán schrik je…

Het boek De slag om de Blauwbrug van A.F.Th. van der Heijden, beschrijft de strijd tussen krakers en politie, tijdens de kroningsdag van Beatrix in Amsterdam. Ik was daar bij toeval als burger tussen geraakt; het wás ook echt een veldslag. De Blauwbrug, naast het Waterlooplein, was in handen van de politie gevallen. Krakers probeerden de brug te heroveren. Moet je nagaan! Deze stadsguerrilla verplaatste zich daarna naar de Damstraat, de krakers wilden eerst de Dam veroveren en daarna de Nieuwe Kerk, waar de plechtigheid in volle gang was. Voor elke stoep- of straattegel terreinwinst werd gevochten, het was nu man tegen man. Maar mannen waren toen nog mannen: tijdens de behandeling in de Jellinek werd er drie maanden lang niet gedronken of gebruikt, klaar. Anders: eruit. Wegwezen. Zoals de minister. Meld je opnieuw aan, wanneer je daar aan toe bent.

Ik moest wel grinniken toen ik burgemeester Aboutaleb kwaad hoorde zeggen dat de Turkse Turken ons misleid hadden! Wat is daar mis mee dan? Onze politici misleiden óns, met schone beloften, wíj misleiden de overheid, met onze belastingaangiften, kinderen misleiden hun ouders, echtparen misleiden elkaar, landen misleiden landen, verslaafden misleiden iederéén, en straks, wanneer er dan eindelijk buitenaards leven wordt ontdekt, dan misleidt de mensheid de alien door tegen hem te zeggen: wij komen in vrede. Hahaha! Ik dacht het niet.

En terwijl er in de inrichting in Castricum met man en macht geknokt wordt voor het behoud van hun patiënten, met één ideaalbeeld voor ogen: hun genezing, zo diep als dat maar gaat, en waar wij en de wereld nu voortdurend verslag doen van de opstand der Turken + Turkse Nederlanders tegen Nederland, zo besteedde niemand enige aandacht aan één simpele opmerking: ‘Ik wil dood. Ik wil nu.’ Het leek door iedereen als een doodgewone alledaagse opmerking te zijn opgevat. Maar niet door mij.

Ik wil dood, ik wil nu. Ik wil geluk, ik wil nu. Ik wil boos, ik wil nu. Ik wil schelden, ik wil nu. Ik wil drinken, spuiten, snuiven, roken, slikken, ik wil nu…

Het lijkt wel allemaal hetzelfde. Ik wil weg, nog veel verder, ver weg, voorbij de einder, waarom ik niet. Laat ik u daarom een stemadvies geven. Mocht u straks, na de verkiezingsuitslag denken: jeetje, nu móet ik gaan drinken!, dan zeg ik, oké, dat is best, ik meld u aan bij de Dodenpartij. Zegt u echter: ‘Ik wil leven, ik wil nu!’ dan bent u bij mij aan het goede adres. Ik meld u aan bij de Leefpartij.

En trouwens, de waarheid is: wij hadden nog een appeltje te schillen met onze Turkse broeders en zusters…

Het is 28 mei 1453… we zijn in Constantinopel, dat snel tot Istanbul zal worden omgedoopt, het is de laatste avond, de volgende dag zal de stad, hoofdstad van het Byzantijnse Rijk, vallen. De mannen komen daarom bijeen, een laatste keer, in de Aya Sophia, dan nog een kathedraal, de grootste in de wereld… sterke mannen, huilend staan zij daar, ze bidden en waken, de gehele nacht, de keizer in hun midden. De volgende ochtend vecht hij in de straten mee, het is allemaal tevergeefs, sultan Mehmet II neemt de stad in. En bouwt het Ottomaanse Rijk, dat op zijn beurt ook weer ten einde liep, nu bijna een eeuw geleden.

Maar! De intellectuelen van Constantinopel ontvluchtten na de verovering hun stad. De denkers en geleerden trokken in grote getale naar West-Europa, vooral Italië. Deze vlucht van kennis was een belangrijke factor voor de ontwikkeling van de renaissance.

De renaissance, de ‘wedergeboorte’ van de verworvenheden van de klassieke oudheid en de explosieve groei van de schone kunsten, kwam tot bloei, mede dankzij de val van Constantinopel. De middeleeuwen waren voorbij.

‘Morgen schijnt de zon, denk?’

Pitt

Eén gedachte over “38 — renaissance”

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *