36 — de wegwijzer

Soms hebben de dingen wat tijd nodig… In mijn leven, bijvoorbeeld, duurde het even voordat ik begreep wat de Franse schrijver Marcel Proust († 1922, longontsteking, geen alcohol) bedoelde, toen hij schreef dat reclameboodschappen op precies dezelfde manier een uiting van onze cultuur zijn als de verzamelde werken van Shakespeare. Proust zegt: ‘Iets van ons zit overal in, alles is vruchtbaar, alles is gevaarlijk, in een zeepreclame kunnen we net zulke ontdekkingen doen als in de Hamlet van Shakespeare.’

Ik kom in deze weblog af en toe aanzetten met citaten van schrijvers, dichters en ook songwriters. De reden dat ik dit doe is simpelweg: wie naar een verslaving kijkt, moet daar op dezelfde manier naar kijken als naar het leven zelf. Zoals schrijvers dat doen. Hersengeleerden doen het weer anders: zij isoleren een verslaving en turen er dan eindeloos naar, net zolang tot zowel zijzelf als de verslaafden een ons wegen. Terwijl het bij mij juist een onsje meer mag zijn, regelrecht tot aan het gewicht van een volwassene.

Stel dat een lezer mij vraagt:
‘Pitt, ik drink te veel, welke kliniek zou je mij aanraden?’
Ik denk dat ik zou zeggen:
‘De dichtstbijzijndste.’

Ook al vind ik dit wel een eigenaardig woord, want van de achttien letters heeft het maar vier klinkers.

De reclameboodschap boven dit bericht werd mij toegestuurd door een van de Zes, de goede MiK. Bij een klein overdekt winkelcentrum in Almere zag hij opeens zijn voormalige kliniek voorbijkomen, op een roterend reclamebord. De Jellinek verscheen als derde, na Autototaalglas (voor alle pechvogels, met daaronder de uitroep: autototaalglas helpt) en de Aldi met wijn en kaas (dat gaat goed samen, met daaronder de uitroep: Natuurlijk Aldi!).

Laten we Marcel Proust eer bewijzen en deze Jellinekreclame eens onder de loep nemen, wat zegt deze boodschap ons, wat laat hij zien, over de Jellinek, over onszelf, over de verslavingszorg in Nederland, over de zorg in het algemeen. Want deze reclame geeft aanleiding om er het een en ander over te zeggen. En geeft aanleiding om er het een en ander op af te dingen.

Het brein achter deze reclamecampagne is zakelijk directeur Jasper ten Dam, hij vormt een vast onderdeel van het dappere directieduo Jasper & Wencke. We kennen in Nederland wel meer van dit soort fameuze duo’s, ik denk aan Gert & Hermien, en natuurlijk ook Peppie & Kokkie. Ik hoor u al roepen: Kabouter Plop!, maar die is in zijn eentje, hij is louter kabouter.

Het beeld

De reclame toont de kijker een aantal gezichten, zo op het oog doodgewone mensen. Wel meer bedrijven doen dit, zij accentueren de ‘gewone Nederlander’, die hun producten koopt, dus u ook. Echter, in dit geval zijn deze mensen helemaal niet zo gewoon, het zijn verslaafden. Alleen, dat zijn ze helemaal niet, het zijn betaalde krachten van een modellenbureau. Commerciële bedrijven deden dit altijd al: ons iets tonen wat onecht is. Niet waarachtig. Dat noemen we, heel netjes gezegd: verleidingstechniek. De Jellinek doet dat nu ook. Hoewel, die kerel linksonder, met die rare zonnebril, die doet toch wel denken aan zo’n draaideurfiguur, iemand die in de Obrechtstraat de deur platloopt. En trouwens: waarom hééft de Jellinek eigenlijk een draaideur? Dat brengt verslaafden alleen maar op rare ideeën.

De wat oudere heer rechtsboven in beeld doet mij aan iemand denken. Maar aan wie toch? Misschien moet ik de directie van de Jellinek dat eens vragen: wie is dat? Misschien weten zij het ook niet… wat weten wij nu eigenlijk, wij mensen?

De tekst

Met mijn verslaving ga ik naar Jellinek. Vijf dingen vallen hier erg op.

Een. Het gebruik van het woord ‘verslaving’. Een groot aantal Nederlanders drinkt te veel, maar die noemen we echt niet verslaafd, niet zoals ík dat was, niet zoals de Zes dat waren. Het risico om verslaafd te raken, lopen deze mensen echter wel degelijk, dus kijk uit, het kan verstandig zijn om naar de Jellinek te gaan. Misschien voor ambulante hulp, dat zijn gewoon gesprekken. Wacht niet totdat u eindelijk verslaafd bént! Dat suggereert de tekst echter wel.

Twee. Het gebruik van het woord Jellinek. Waarom moet u zo nodig naar de Jellinek? Wat is daar zo goed aan? Waarom niet naar een andere kliniek? Een verantwoorde tekst zou zijn geweest: met mijn verslaving zoek ik hulp. Of veel beter nog: ik drink te veel, ik zoek hulp. Wil je het breder trekken, dan: mijn gebruik loopt uit de hand, ik zoek hulp.

DrieMet mijn verslaving ga ik naar Jellinek. Jellinek zonder het lidwoord ‘de’. Taalkundig is dit correct – het is ‘de Spar’, maar bij eigennamen schrijven we niet ‘de Albert Heijn’ – maar heel Nederland kende deze kliniek als de Jellinek. Inmiddels vindt men het kaalgeschoren ‘Jellinek’ veel beter bekken, veel moderner. In mijn ogen is dit een symbolisch afscheid, van een roemrucht en belangrijk verleden. De Jellinek is dood, leve Jellinek. De draaideur draait, hij sluit af en opent tegelijk.

Vier. Links onderaan de reclame staat: Nu ook in Almere! Dat klinkt heel erg als: nu ook in de supermarkt! Of: nu ook in voordeelfles!

Vijf. Het volstrekt schaamteloze van een dergelijke tekst. Met mijn verslaving ga ik naar Jellinek. ‘Dé expert op het gebied van verslaving’, schreeuwt de tekst eronder u ook nog in het gezicht. Ik denk dat u heel erg zou schrikken wanneer u in een klein overdekt winkelcentrum tegen een soortgelijke boodschap zou aanlopen: ‘Met mijn longkanker ga ik naar Leeuwenhoek. Dé expert op het gebied van kanker.’ Misschien roept u nu verontwaardigd: ‘Pitt!, dat is geen vergelijking! Want longkanker is afschuwelijk en dodelijk!’ O? En een verslaving is dat niet? Denkt u dat werkelijk?

De dood van Ruben, waar ik in bericht 34 – Ondine’s vloek over schreef, is nog maar het begin. Hij is de eerste. Toen ik ervan hoorde, dacht ik: oké, daar gaan we, nog eens. Ik zat soms te denken, tijdens mijn laatste opname, wanneer ik de groep rondkeek: ‘Over vijf jaar is een deel van jullie dood, binnen tien jaar is meer dan de helft van jullie weggevaagd.’ Want zo ging het twintig jaar geleden in de Heinzekliniek, de een na de ander ging daarna ten onder. Dit zijn geen cijfers van een kliniek, het zijn mijn cijfers. Het was mijn groep… maandenlang… het waren mijn mensen.

Ditmaal deed ik het beter: ik deed mijn uiterste best om de Zes bij elkaar te krijgen. En bij elkaar te houden.

Elke reclame-uiting zegt maar één ding: ga niet naar de concurrent, kom naar ons. De Jellinek zegt: wij zijn dé expert! Pardon? Zijn jullie dat? Of wáren jullie dat? Weet u nog, lezer, dat ik directeur Wencke de Wildt de Zes aanbood, in bericht 27 — heliocentrisch? Nu bijna vijf maanden geleden? Zes ex-cliënten, stevige kerels, die in het gebouw langs wilden komen om cliënten te vertellen hoe het met hen gegaan is. Zes mannen, door snijdende kou en de sneeuw, door weer, wind en regen, en in de lente, in de zomer, en later, wanneer de herfstbladeren vallen, op weg naar de Jellinek, om hun lotgenoten de helpende hand te reiken. Reageerde Wencke daar op? Nee, natuurlijk niet, we hoorden helemaal niks. Ex-cliënten komen allang niet meer in het gebouw. Cliënten interesseren haar bitter weinig, betrokkenheid nul. Vandaar de reclame. Want niet wat de Jellinek aanbiedt doet er nog toe, maar hoeveel cliënten de Jellinek binnenhaalt doet ertoe. Het gaat de Jellinek er niet meer om dat u hulp zoekt, het gaat erom dat u die bij hen zoekt.

Als Jasper ballen had, zette hij op zijn billboard: Aanbieding! Tijdens behandeling in Jellinek zijn maar liefst DRIE uitglijders toegestaan!!  

De Jellinek gaat deze reclameborden ook nog massaal in Utrecht neerpoten, want ook daar hebben ze sinds kort een vestiging. Wie betaalt al die borden eigenlijk? Dat betaalt het Amsterdamse GGZ Arkin, waar de Jellinek onder valt. Wie betaalt Arkin eigenlijk? Dat doen de zorgverzekeraars. Wie betaalt de verzekeraars? Dat doen wij… het is niet te geloven, maar wij betalen allemaal mee aan de speeltjes van Jasper.

Iedere verslaafde vindt echt zijn weg wel naar een kliniek. Via de huisarts. Via internet. Via familie, vrienden, kennissen. En vooral: via zichzelf. Hij gaat wanneer hij daar aan toe is, geen dag eerder. Leer mij een verslaafde kennen. Of nee, doe maar niet. Ik ken ze al.

Wij hebben nog steeds het idee, althans ik heb dat, dat een zorginstelling iets anders is dan een commercieel bedrijf. Die tijd lijkt voorbij. Dat komt vooral door top-down management. Wencke & Jasper, plus nog een emmer vol managers, bepalen alles. Ik hoop dat ook díe tijd nog eens voorbij gaat. Want laat ik hier één ding zeggen, ik stipte het al eens aan in bericht 14 – de muze. Een antwoord op de vraag: als het allemaal zo waardeloos is in de Jellinek, hoe kan het dan eigenlijk dat de Jellinek ook ditmaal mijn leven redde? Hoe kan het dat ik via deze kliniek voor de tweede keer in mijn leven aan mijn verslaving ontsnapte? Twintig jaar geleden lukte mij dat in de Obrechtstraat ook, toen alles zo heel anders was, zo veel meer volwassen, er moet dan toch iets zijn dat nog hetzelfde is, iets waar geen enkele directie aan kan tornen? Iets wat zij niet kaal kán slaan? Niet kán afbreken? Dat is er ook, lezer. Daarom moet ook ú zich nog steeds aanmelden. Ik zal u zeggen wat het is.

Het zijn de behandelaars.     

Iemand wees mij er op dat ik het begrip ‘behandelaar’ in mijn blog verkeerd gebruik. Daarmee wordt in de Jellinek bedoeld: de psychologen. Maar psychologen noem ik psychologen, ik ben een beetje raar in die dingen. Tijdens mijn behandeling zag ik regelmatig een psycholoog, in een sessie van drie kwartier. Die sessies doen echt wel wat, maar zij trekken mij niet een verslaving uit. Voor mensen als ik is een verslaving domweg te groot, te krachtig, te zwaar. Ook het positief denken, de cognitieve gedragstherapie, waar Wencke mee opstaat en mee naar bed gaat, is op geen enkele manier in staat om mij eruit te tillen. Want je maakt er in de kliniek alleen maar kennis mee, je hoort er allerlei dingen over, daarna weet je dat het bestaat, maar het wordt niet als training aangeboden. Ik weet niet eens of je de CGT kúnt trainen. Het schijnt te kunnen door middel van computerprogramma’s, maar ik heb geen idee.

Wanneer ik over behandelaars praat, dan spreek ik over de mensen die mij dagelijks meemaakten. De veldwerkers. Plat populair gezegd: die met hun poten in de modder staan. Met wie wij in de ochtend de dag openden en de dag in de namiddag weer afsloten. Die er tijdens de verschillende modules altijd waren. Die er tijdens de nazorg altijd waren. Meestal zijn behandelaars SPH’ers, Sociaal Pedagogische Hulpverlening. Soms zijn het verpleegkundigen-B. Zet die mensen maar eens met hun gezicht op je billboards, Jasper. Dan hoor je meteen hun naam een keer.

Hoe kan het dat hun invloed zo groot is? Zij staan immers onderaan de ladder, in salaris. Als ík een kliniek had zou dat wel anders zijn. Ik hoorde dat een psycholoog bij de Jellinek anderhalf keer zoveel verdient als zij. Wat een arts daar verdient wil ik dan niet eens weten. Laat staan wat de managers verdienen. Laat staan wat Jasper & Wencke verdienen. Hun baas, Jeroen Muller, runt Arkin voor drie ton per jaar. Men zegt dat hij hard werkt. Mark Rutte runt heel Nederland voor € 157.287 per jaar, inclusief vakantiegeld en eindejaarsuitkering. Men zegt dat hij nóg harder werkt.

Dus hoe kan het dat de invloed van behandelaars zo verschrikkelijk groot was?

Een. Doordat zij mij voortdurend zagen. Martin en Reyna zagen mij een jaar lang, elke week, in de nazorg. Tijdens de dagbehandeling kwam ik Cynthia overal tegen, zij leidde niet alleen mijn groep, maar deed ook de modules ‘sociale vaardigheid’ en ‘structuur’. En misschien nog duizend andere dingen. Samen met Dolly deed ze ‘analyse & motivatie’, hetgeen natuurlijk neerkwam op 20 procent motivatie en 80 procent terugvalgeouwehoer. Niet haar schuld. Dat alles deed ze terwijl ze zwanger was. Behandelaars zijn stevige mensen, écht stevig. Ik houd heel erg van mensen die stevig kunnen zijn.

Twee. Zij zagen mij voortdurend in een groep… wil je iemand werkelijk leren kennen en doorgronden, kijk dan hoe hij zich in een groep gedraagt. Daar kan hij zich niet verbergen, niet achter woorden, en probeert hij dat tóch, dan zie je dat. Met verslaafden moet je helemaal niet willen praten, er komt toch geen verstandig woord uit, je moet alleen maar naar ze kijken. Verslaafden snakken slechts naar één ding, waar elk mens naar verlangt: gezien worden. Maar dan moeten behandelaars dat wel kunnen… Annette kon dat, Tamara, en Martin, en Reyna, en Dolly, en Cynthia. Hans West kon dat trouwens ook.

Alle behandelaars dachten heel anders over een verslaving dan ik, maar dat deed er niet toe. Dat mág er ook niet toe doen. Ik ging nooit met hen in discussie, ik vroeg maar één ding: ‘Ik kan dit niet alleen, help mij…’

Dat deden ze.

Pitt

3 gedachten over “36 — de wegwijzer”

  1. Een helder verhaal. Veel (zorg) managers worden afgerekend op productiequota. Dat zal in de verslavingszorg niet anders zijn. Een ex-client mag toch vraagtekens zetten bij de effectiviteit van een gekozen behandeling?

  2. Dit had ik niet van je verwacht, Pitt. Het is een beetje op de man spelen en niet op de bal. Wencke doet echt wel goeie dingen, maar je hebt wel gelijk dat het voetvolk het meeste werk verzet. Veel bedrijven, en zeker in de zorg, zijn in hetzelfde bedje ziek: too many chiefs, not enough indians.

  3. Zouden de behandelaars er wel zijn in de Jellinek, als de emmer managers en het directieduo er niet zouden zijn? Of bestaan die in een soort symbiose, want zonder het hoofd is het lijf er niet om te handelen…

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *