34 — Ondine’s vloek

Nog in het oude jaar, enkele dagen voor de kerst, overleed lotgenoot Ruben, 51 jaar. Drankzuchtig, ik leerde hem kennen in de Jellinek. Je zou hem welbespraakt kunnen noemen, en intelligent, en misschien was hij dat ook, maar meer nog dan dat vond ik hem verward. Wanneer hij sprak, klonk hij als een man in de war. Eenzaam en ellendig stierf hij. Het komt maar zelden voor dat een verslaafde sterft in de armen van iemand, of zelfs maar in de buurt van iemand, meestal zoekt de dood hem thuis op, waar hij alleen is, en bijna altijd in de nacht. Die nacht had de drankzuchtige niet naar bed moeten gaan, niet in slaap mogen vallen, omdat hij die nacht bloed of braaksel moest overgeven, in plaats van het in te ademen en erin te stikken.

Het is mijzelf een enkele keer overkomen dat ik om die reden inderdaad een nacht lang op bleef, ik vertrouwde het opeens niet, voor geen cent. Alsof ik hoorde:

Geh nicht in die Stadt
Geh nicht in die Stadt, heut’ nacht.

Waarbij die Stadt staat voor wat je maar wilt, maar in ieder geval: ga daar vannacht niet heen. Juist een verslaafde kan het zich niet permitteren om de stem van zijn intuïtie te negeren. En zéker geldt dat wanneer hij eindelijk abstinent wil worden, zonder je intuïtie kom je nauwelijks bij abstinentie in de buurt. In mijn eerste droge jaar, dat vanzelfsprekend een moeilijk jaar was – de tijd van erop of eronder – had ik aan mijn verstand en gevoel zo goed als niets. Daar sta je behoorlijk van te kijken, maar gelukkig is die derde er ook nog, de menselijke intuïtie. Het enige waarop je in die omstandigheden blind kunt vertrouwen. Hoor je zeggen: ‘doe dit niet’, dan doe je dat niet, wát het ook is. Het mooie aan intuïtie is vooral: je kunt er niet mee in discussie! Het geeft iets aan je door en bemoeit zich er verder niet mee.

Mijn relatie met Ruben bestond er uit dat hij een tijdje deel uitmaakte van mijn groep in de nazorg van de Jellinek. De groep waaruit later de Zes tevoorschijn zouden komen. De nazorg was aan hem nauwelijks besteed, op een avond meldde hij dat hij naar de film was gegaan, een ochtendvoorstelling, de film Cobain: Montage of Heck, de deels getekende documentaire over de ondergang van Kurt Cobain. Daar keek hij naar, in gezelschap van een fles wodka. Juist die combinatie, déze film en de fles, onderstreept nog eens wat ik in bericht 7 – mooie mensen beweerde, namelijk: verslaafden zijn aanstellers. Echte drama queens. Drugsverslaafden meer dan alcoholisten, maar uiteindelijk zijn ze het allemaal. Natuurlijk gold dat ook voor mij toen ik nog dronk. Met flink wat moeite was hij na de film weer thuisgekomen, vertelde hij ons nog. Einde bericht, klaar. De volgende cliënt kreeg het woord. Niemand schrikt erg van een terugval in deze kliniek, niet zoals je zou verwachten, terugvallen zijn er helemaal bij gaan horen, dat is nu al ruim tien jaar lang zo. Ze maken deel uit van het gewone bestaan, ironisch genoeg van zowel het bestaan van de cliënt als de behandelaar. Tot de nacht komt. En de ironie zijn kleur verliest, de werkelijkheid haar plaats krijgt, en de stad een verslaafde minder telt.

In het familiebericht omschreef de vader Ruben als zijn ‘verdwaalde’ zoon. Daarmee drukte deze vader zich zorgvuldig uit. Ook op mij maakte hij een diep verdwaalde indruk. Niet iemand die je zomaar de weg had kunnen wijzen. Zou een behandelaar in de kliniek over een dergelijk familielid noteren: ‘Zijn ziekte heeft hem geveld.’ Dat denk ik niet, ook al is dat wel degelijk wat zij geloven. Maar de teksten in dergelijke advertenties bestaan uit woorden die je niet meer terug kunt nemen, ze staan er, in feite voor de eeuwigheid. De dode krijgt ze mee. Voordat je ze opschrijft, moet je dus wel weten wat je zegt. Was hij ziek, was hij verdwaald? Wat was hij nu eigenlijk?

Een laatste woord daarover.

Ook bij de Zes zijn er die verslaving als ziekte opvatten. Een van ons zegt: ‘Ik ben wel verantwoordelijk, maar niet schuldig.’ Dat klinkt mooi, maar zoals therapeut Hans West in zijn uitgebreide commentaar op bericht no. 19 –moderne inzichten opmerkte, toen hij en ik nog niet mijlenver uit elkaar gedreven waren: ‘Nou ja, misschien zijn het ook maar allemaal woorden.’ In principe is dit de eerste denkfout: te denken dat het slechts woorden zijn. Niets bestaat slechts uit woorden! En bovendien schreef ik al eens: verslaafden gaan net zo vreemd met woorden om als met hun middel. Ze gaan ermee aan de haal. Een praktijkvoorbeeld, van hoe dat dan gaat. In de nazorg vertelde behandelaar Reyna ons een keer het volgende.

Zij deed eigenlijk helemaal geen groepen, zij deed voornamelijk ambulante gesprekken, een-op-een. Om eens te kijken hoe het zit allemaal. Die gesprekken zou ik alle weifelende gebruikers heel erg aanraden en wie juist háár treft heeft dan veel beginnersgeluk. Over een van die gesprekken vertelde zij ons op een avond iets, hetgeen ik erg waardeerde, hoe klein het ook was. Een behandelaar die af en toe laat zien wat haar werk met haar doet.

(Het laat overigens óók zien hoe vertrouwd onze nazorggroep geworden was, want die ruimte hád zij ook. Nu is dat allemaal weg, de nazorg is professioneel aan flarden gehakt, met dank aan het dappere directieduo Wencke de W. & Jasper ten D. Ikzelf was nog net op tijd, maar u, lezer, voor een échte nazorg komt u helaas te laat. Hun argument? Zoals zo vaak: zorgverzekeraars, inkoopbeleid. Over ruim een maand ga ik hier eens echt diep op in.)

Reyna vertelde over een man, haar cliënt, die ’s middags nog voor haar zat. Huilend had hij daar gezeten, vanwege een zware terugval. Dat liet ook haar niet onberoerd. Ik zag dit beeld voor me en natuurlijk is het aangrijpend, ook voor haar, want alles in het gebouw draait om leven en dood. Zo’n terugval kan het verschil daartussen zijn. Totdat zij erbij vertelde: ‘Hij snikte: het is een ziekte, het is een ziekte…’ Daarmee stortte dat hele beeld voor mij in. Niets bleef er van over. Nú zag ik een volwassen man, die als een kind zat te huilen omdat zijn ‘ziekte’ hem dingen liet doen die hij helemaal niet wilde doen. Graag wilde hij abstinent zijn, ach wat zou dat heerlijk wezen, ook voor zijn vrouw en kinderen, maar ja, zijn ziekte hè. Gooide roet in het eten. Dit had ik al veel vaker in het gebouw gehoord, en nu weer. Het begint ermee dat de verslaafde zich overgeeft aan zijn middel, net als ik, het eindigt ermee dat hij zich overgeeft aan zijn chronische ziekte, waarbij ik meteen afhaak. Ik had er schoon genoeg van. Niemand wijst hem op het krankzinnige hiervan. Hoort dan geen enkele behandelaar wat ik hoor? Niet één? Is er helemaal niemand die het hoort!?

Natuurlijk is er een reden dat niemand iets lijkt te horen. Wanneer verslaving een ziekte is, dan kunnen behandelaars en buitenwereld de verslaafde eindelijk serieus nemen.

En waarom kun je dat niet wanneer het géén ziekte is?

Lezer, nu verbaas ik mezelf: wat is dit een goede vraag! Waarom dán wel, en anders niet? Als het geen ziekte is, is Ruben dan opeens schijndood? Of was hij dán alleen maar zwak? Een nietsnut? Nee, Ruben was verslaafd. En dat kostte hem zijn leven.

Ik aarzel nu. Zal ik doorgaan en uiteenzetten waarom ik mijn leven lang verslaving niet heb opgevat als ziekte? En hoe dan wél? Nou ja, mijn leven lang, nu niet overdrijven Pitt: vanaf mijn veertiende. Na mijn eerste glas. Want zo een ben ík er. Er zijn er ook die er veel langer over doen, maar over hen denk ik hetzelfde: wij zijn niet ziek. Was dat maar wél zo! Dan zou ik tegen een arts zeggen: ‘Hee joh, jij daar, met die witte jas, bedenk eens even iets, ertegen.’ Zij doen allang hun best, hoor, maar vinden niets. Je vindt geen middel tegen een niet bestaande ziekte. Besteed je tijd aan iets beters. Zorg er bijvoorbeeld voor dat klinieken weer een volwassen behandeling aanbieden in plaats van dat slappe gedoe van nu.

Nee, ik schuif het door. De enige concessie die ik aan de lezer doe, is letten op de lengte van een bericht. Bovendien wil ik positief en opgeruimd eindigen, ik weet eigenlijk niet waarom, maar ik probeer dat telkens. Misschien hoort het domweg bij een weblog als deze. Ik denk weleens: stel dat ik terug zou gaan, de fles in. En stel dat ik dat hier weliswaar keurig opbiecht, maar dat ik toch gewoon doorga met schrijven. U hebt geen idee hoezeer u zou schrikken! Eigenlijk zou dat dus heel goed zijn, en ook ouders zouden tegen hun kinderen kunnen zeggen: ‘Als jij niet oppast, word jij net als Pitt Hamson! Hier, lees maar!’ Een keer dwong een Duitse geliefde mij om een stomdronken geschreven brief aan haar terug te lezen, in haar bijzijn. Het begon nog vrij normaal, als een liefdesbrief, ik las onder meer:

Wo ich auch bin, was ich auch tu’
Ich hab’ nur ein Ziel
Und… dieses Ziel, bist du!

Dit ging nog enigszins, hoewel toch al knap infantiel. En gepikt. Maar gaandeweg veranderde er iets in de brief, eerst qua toon, daarna qua inhoud, de tekst ging bijna ongemerkt en naadloos over in een ordinaire scheldpartij. In héél het Harzgebergte, schreef ik haar, vindt men nergens zo een heks als jij! Dan moet je wel héél erg goed zoeken!

Daarom ben ik de eerste die zal zeggen: een verslaafde die zijn middel gebruikt, die is zo ziek als wat. Lichaam en geest, door en door verziekt en flink gestoord. Dat kan ook niet anders, met zo veel gif zo lang naar binnen. Daar moet je echt van bijkomen, volledig van zien te herstellen en dat kost je wel een maand of drie. Tijdens die drie maanden gooit een terugval je een eind terug in de tijd. Daarom bestaan er geen ‘uitglijders’, want ook die doen hun werk, zij houden je vast.

En ach, de liefde. En ach, Ondine…

Ondine’s vloek is de haast romantische benaming van een werkelijke ziekte, een zeldzame maar ernstige aandoening. Het zogeheten centraal hypoventilatiesyndroom. Maar hoe kan een ziekte nu zo’n fraaie naam krijgen, en wie was zij dan weer, die Ondine? En wat heeft dat met deze blog te maken? Nou ja, dat zit zo. Lang geleden was er een ridder… en die kreeg het in zijn domme kop om eens even met de mind van een waternimf te fucken! Terwijl iedereen weet dat je met een gewone vrouw al moet uitkijken. Ondine, zo luidde de naam van dit edele rivierenschepsel. Maar hoe dan ook, hij had een soort verkering met haar en was haar ontrouw geweest. Veel mannen zijn nu eenmaal zo. Veel vrouwen trouwens ook, maar van een ridder zou je zoiets toch niet verwachten, in elk geval ik niet. Zij pikte het dan ook niet. En zoals dat gaat met watergeesten, zij vervloekte hem. Diep en grondig, haar vloek was niet mals. De ridder kon niet langer normaal ademhalen, dat ging niet meer vanzelf, zijn lichaam ademde niet automatisch, niet langer autonoom. Elke teug lucht moest hij bewust inademen en ook weer uitademen. Hij kon dus ook niet meer slapen… dan zou hij stikken.

Geh nicht in die Stadt

Verslaafden die abstinent zijn geworden, overkomt precies hetzelfde als deze onfortuinlijke ridder. Zij kunnen niet zomaar meer automatisch van het leven genieten, zij moeten zich van elk plezier eerst bewust worden. Zij moeten het eerst zien. Ik huiverde toen Frey, een cannabisverslaafde, in de nazorg vertelde dat hij zonder zijn middel niet meer van zijn kinderen kon genieten… Dát is Ondine’s vloek, hij moet zich dat genot eerst diep bewust worden, het komt niet meer vanzelf naar hem toe.

En zoals wel vaker bij een vloek, bevat ook deze een zegen. Want hoeveel mensen zien hun kinderen als het ware voor de tweede keer in hun leven? Of hun stad? Hoeveel mensen ervaren het plezier in hun omgeving als nieuw? De zegen is: nieuw genot voel je weer intens. Zoals Griet Op de Beeck het verwoordde: ‘Mensen die van ver komen, kunnen zo enorm genieten van klein plezier.’

Waarvan akte…

Pitt

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *