40 — Zarathoestra

Namiddag, de eerste dag in maart, 2016. Wat is dat nog dichtbij, wat voelt het al ver weg! Ik zit in een behandelkamertje met nazorgbehandelaar Reyna, de ruimte biedt uitzicht op de Obrechtstraat. Het is ons afscheidsgesprek, of beter gezegd ons afrondingsgesprek, dat klinkt prettiger, zij houdt niet van afscheid nemen. Ik nu ook niet. Een heel jaar nazorg ging voorbij, onze wekelijkse groepsbijeenkomsten in het gebouw. Nu ik tegenover haar zit, denk ik onwillekeurig terug aan de eerste zin die ik tegen haar sprak, toen ik mij kwam melden voor mijn eerste nazorgavond. Terwijl ik vooraf met behandelaar Martin wat zat te praten in een verder nog leeg lokaal, stapte zij met een mok groene thee in de hand opgewekt naar binnen. Ik stond op, gaf een hand en stelde me voor: ‘Pitt Hamson, cliënt.’ Ik ging weer zitten. Ze zei: ‘Wat grappig dat je dat erbij vermeldt.’ Zelf vond ik het ook wel grappig klinken, al had ik geen idee waarom ik dat zo zei. Soms ben ik gewoon grappig, denk ik. Eindelijk eens iemand die denkt dat hij leuk is.

Maar nee, dat was het niet alleen, niet alleen een bepaald gevoel voor humor. Na drie lange maanden had ik de dagbehandeling keurig afgerond, ik had de abstinentie binnengehaald en omarmd; ik was niet meer dezelfde persoon als degene die hier voor de poort had gestaan, uitgewoond en uitgeput, in velerlei opzicht. Maar nu, nu ik me aan Reyna voorstelde, nu had ik iedereen kunnen zijn. Natuurlijk niet in haar ogen, maar in de mijne. Was ik dan soms genezen? Nee, op die manier vat ik een verslaving niet op. Ik had mijn verslaving stopgezet. Zó vat ik dat op. Door mijzelf ooit sluipenderwijs in gang gezet, nu abrupt door mij gestopt.

Hoe kan dat? Hoe kan het dat een mens dat lukt?

In de Iraanse stad Yazd doet een wonderlijk verhaal de ronde. Je komt daar mensen tegen die geloven dat er op de plaats van hun 14e-eeuwse moskee Masjid-e Jāmeh, met zijn schitterend blauw mozaïek, in goed doordachte geometrische vormen in de muren gezet en tegen de twee 48 meter hoge minaretten – daar kom je mensen tegen die geloven dat er op die plek eerst een heel andere, erg oude tempel had gestaan. Op een goede dag verving deze tempel zichzelf door de huidige moskee. Nog steeds een tempel, een ander geloof. Over de echtheid van dit verhaal kan wat mij betreft weinig twijfel bestaan, want kijk naar mij, ik deed precies hetzelfde. Nog steeds Pitt Hamson, maar nu een andere. Ik verving mijzelf.

Mooier en duidelijker kan ik het niet zeggen.

Tijdens ons laatste gesprek stelt ze me een aardige vraag, door menselijke nieuwsgierigheid gedreven: ‘Pitt, jouw manier van doen in de groep, vaak ingaan op wat iemand zegt, soms in herinnering brengen wat die persoon al eerder gezegd had, meedenken, dringende adviezen geven, wat had jij daar aan, wat leverde jou dat op?’

Tja. Zo’n vraag kun je op diverse manieren beantwoorden. Je kunt verontwaardigd uitroepen: ‘Hoezo? Waarom zou ik daar iets aan moeten hebben?’ (Je bent een heilige.) Of je zegt: ‘Nou ja, zo doe ik dat nu eenmaal.’ (Je bent een bemoeial.) Maar je kunt ook, en dit raad ik u sterk aan: gewoon antwoord geven. Probeer dat eens, in het gebouw, u bent er nu toch, probeer gewoon antwoord te geven op een vraag, er hoeft niet een heel circus omheen gebreid te worden.

Ik moest er even over nadenken, dat wel. Stel dat het mij iets had opgeleverd, wat zou dat dan zijn geweest? Ik zei: ‘Bij alle goede raad waarmee ik op de proppen kwam, was er vooral één die aandachtig luisterde: ikzelf. Ik wist dat ik het niet in mijn hoofd moest halen mijn eigen adviezen in de wind te slaan.’

Dat had me inderdaad een keer goed geholpen. En het heeft er nu zelfs toe geleid dat dit speciale bericht er is, met de intrigerende titelnaam en de eigenaardige afbeelding erboven. Daar staat: Good Thoughts, Good Deeds, Good Words. En van deze drie de laatste het meest, althans, dat geldt voor mij. In deze blog zijn het de woorden die het moeten doen.

voorbeeld no. 1

Tijdens de dagbehandeling gebeurde het dat ik ergens in de stad, nog in de vroege avond, iemand tegen het vege lijf liep die ik liever niet was tegengekomen, hoe onvermijdelijk die ontmoeting in feite ook was. Eenmaal weer helemaal nuchter was er geen ontkomen aan, want dergelijke ontmoetingen en moeilijke gesprekken komen nu eenmaal, ze komen recht op je af. Het werd erg pijnlijk en ook erg onaangenaam, althans voor mij. In de tram naar huis schoten mijn eigen woorden me te binnen: ‘We leven hier drie maanden lang onder flinke druk en staan soms onder hoogspanning. Wanneer je opeens tegen grote tegenslag aanloopt, doe dan iets, meteen, blijf niet thuis zitten mokken en treuren.’ Ik kwam thuis, kwart voor negen ’s avonds, het was koud buiten, decembermaand, de regen kletterde naar beneden, ik pakte mijn zwemtas en fietste naar het Marnixbad. Tot tien uur open. Direct actie, het waren mijn eigen woorden geweest. Baantjes trekken. In het zwembad zwom ik alles van mij af, althans voor die dag, maar daar ging het juist ook om. Je moet die maanden doorkomen. Overleven. Zie ook bericht 11 – hard & zacht, waarin ik schrijf over twee manieren van overleven.

voorbeeld no. 2

In bericht 22 – tussen hond en wolf gaf ik drankzuchtigen de goede raad om na een succesvolle behandeling in een kliniek eens met vakantie te gaan naar een islamitisch land. Tja. Dat waren mijn eigen woorden. En daar zit ik nu dus. Op maandag 24 juli vloog ik via Wenen vrij goedkoop naar Teheran, ik trek vier weken lang door Iran. Op de bonnefooi, ik zie wel waar ik heenga, ik zie wel waar ik uitkom. Dit is de beste manier, want zoals ik de Ierse komiek Spike Milligan een keer hoorde zeggen: we had no plan, so nothing could go wrong. Op dit moment zit ik op het kleine eiland Qeshm, in de Straat van Hormus. De hele Perzische Golf spoelde over mij heen. Het is nu erg heet in Iran, dat wel, rond de veertig graden en in het zuiden loopt dat nog verder op, maar ik kon niet eerder weg. Natuurlijk neem ik u in gedachten mee – ik schrijf dit op een tablet, dat is echt goed te doen – dat wil zeggen, ik neem u mee voor zover ik deze reis kan koppelen aan drankzucht.

Daarom kom ik nu meteen met les no. 1: de hitte. Er is maar één manier om daarmee om te gaan: je mág je er niet druk over maken. Dan wordt alles hopeloos en bovendien is er toch niets aan te doen. En trouwens, je lichaam regelt alles. Tijdens je verslaving hield het je in leven, en hier zweet het zich eerst te pletter en dan juist weer niet. Denk aan een Arabier op zijn kameel: hij hangt maar wat. Voor wie stopt met drinken: bijna álles gaat een tijdlang stroef en moeilijk. Niets aan te doen, maak je niet te druk, raak niet opgefokt. Dat maakt het nog lastiger dan het al is.

Belangrijk. Even tussendoor: natuurlijk weet ik ook wel dat niet iedereen zin heeft in een reis door een arm en streng geleid land als Iran. Hoe rijk en oud hun Perzische cultuur ook is. Maar bij elk welgemeend advies dat ik hier geef, gaat het telkens om de strekking. De strekking van mijn reisadvies is: plaats jezelf in situaties waarin je je niet druk mág maken. Zoek ze op. Ga naar de sauna. Train jezelf. Maak een lange strandwandeling, van plaats A naar B. Eenmaal halverwege móet je wel doorlopen. Ik hamer hier vaak op: training. Want ik heb geen idee hoe het anders kan.

Ga naar Egypte. Of naar Marokko. Ga naar Iran. De hele dag, dag in dag uit, zie ik hier mensen die het gezellig hebben zonder alcohol. In schaduwrijke parken of plantsoenen, in eettentjes, in mijn hotelletjes, in treinen, in kleine koffie- of theetentjes, voor zover die er zijn, op de sporadische terrasjes in Teheran, waar de hippe youngsters komen, mensen als Joost en Adri, de jongste twee van de Zes. Er zal echt wel ergens alcohol zijn, zelfs hier, maar je ziet het niet. Je ziet mensen genieten van elkaar, van zichzelf, zonder drank. Overal lopen ze te dollen en te grappen, ik kom maar heel weinig chagrijnige Iraniërs tegen. Dus in korte tijd raak je opnieuw geprogrammeerd: het kan ook zonder.

En nu iets heel moois, les no. 2, naar aanleiding van de hitte. De hele dag snak je naar… water! Heerlijk helder water. Overal in Iran staan talloze kleine fonteintjes op straat, de hele dag vul ik mijn plastic flesje met gekoeld kraanwater. Ik kom nu met een ontboezeming: op de eerste dag kocht ik bij een kruideniertje een halve liter bronwater… het flesje heeft de platte en licht gebolde vorm van een zakflacon! Ik loop er nog steeds mee rond, wil er geen afstand van doen, ik geef toe: dit heeft iets pervers. Drankzuchtig bloed kruipt waar het niet gaan kan…

Ten slotte. De naam Zarathoestra boven dit bericht, ook wel Zoroaster genoemd. In de afbeelding zie je hem staan, de vleugels naast hem symboliseren een beschermengel, of geest, de ring in zijn hand staat voor de eeuwige kringloop van alles. Wij kennen zijn naam vooral van het filosofisch werk Also sprach Zarathustra, van Friedrich Nietzsche († 1900, geen alcohol, alleen syfilis). Zarathoestra leefde in Perzië rond 1200 voor Christus en was de stichter van het zogeheten zoroastrinisme, een nu bijna vergeten godsdienst die het gehele Perzische Rijk omvatte, tot aan de komst van de islam. Er is nu nog een klein aantal aanhangers over, destijds gevlucht naar India. In India vinden ze altijd alles best. Daar lopen echt de gekste figuren vrij in de rondte. In Nederland trouwens ook. Er moet nu toch werkelijk een politieke partij opstaan tegen de gevaarlijke transgenderisering van ons geliefde vaderland.

Misschien roept u nu, naar aanleiding van Zarathoestra: ‘Zeg Pitt, zit je weer in een pot oude soep te roeren?’ maar dan wijs ik u even fijntjes op een wel zeer bekende zoroastriaan, namelijk Freddie Mercury, van de band Queen. Zingen kon hij niet, pianospelen trouwens ook niet. Eigenlijk kon hij helemaal niks, maar daar hebben we het nu niet over. No time for losers, ‘cause we are the champions.

Over Zarathoestra lees je dat hij dualist was. Hij aanbad twee goden. Die van het goede en van het kwade. Beide in een eeuwige strijd verwikkeld. Klinkt bekend, maar daarmee doe je hem bepaald geen recht en bovendien heb ik er niets aan in het kader van drankzucht. Graaf je dieper in zijn ideeën, dan zie je iets anders. Zarathoestra geloofde in een god van stilstand (de god van het ‘kijken’) en in een god van beweging (de god van de ‘groei’), zoals hij dat noemde.

En dát geef ik u mee, vanuit het hete, kale, bergachtige, dorre, woestijnrijke, ruige en prachtige Iran. Wij, u en ik, wij moeten groeien. Wij groeien onze verslaving uit. Hij past ons niet meer. Het moeilijke eerste jaar, waar je doorheen moet, dat zijn niet meer dan groeipijnen.

Laat in de middag stap ik in Mashhad, dichtbij de grens met Afghanistan, in de nachttrein. Mashhad is een stad die ik per se wilde zien, die ik althans wilde meemaken, vanwege het enorme moskeeëncomplex dat zich hier bevindt, eigenlijk een stad in een stad, vergelijkbaar met Vaticaanstad en misschien ook met Mekka, maar hier mag ook ik binnengaan – ik neem de nachttrein naar Yazd, duizend kilometer naar het zuiden. Enige tijd na zonsondergang stoppen we op een verlaten station. Er staat alleen een goederentrein, in het duister. Drommen mensen stappen uit, mannen, vrouwen, kinderen aan de hand, baby’s in de arm, allen haasten zich zwijgend naar een gebedsruimte aan het eind van het halfdonkere perron. Ik sta buiten en zie hen gaan, de lange zwarte chadors van de vrouwen wapperen in de warme woestijnwind. Elk rijtuig heeft een eigen conducteur, zij wachten buiten, bij de geopende deuren. Niet lang daarna komen de mensen terug, een straathond die niet bang is uitgevallen, kwispelt, liggend op zijn buik kijkt hij toe. Zijn we niemand vergeten? De locomotief fluit en huilt enkele malen, we gaan weer verder, we rijden de nacht in, door de zandduinen van de Dasht-e Kavir woestijn. Je moet ervan houden, van de woestijn, en dat doe ik ook, heel erg. En je kunt houden van de mensen die er wonen, en ook dat doe ik.

Ik kom ze hier tegen en loop naar ze toe. Ik schud hen de hand, stel me aan hen voor: ‘Pitt Hamson, allemansvriend.’

Pitt