42 — wezensvreemd (1)

 

Het was twee weken geleden erg schrikken, in het gebouw, de Jellinek. Er was werkelijk flinke heibel ontstaan in het doorgaans zo rustige productiebedrijfje aan de Obrechtstraat in Amsterdam; zelfs de lopende band werd enige tijd stilgezet. Het beloofde een lange dag te worden, een dag van reflectie, crisisberaad en vooral van: damage control. Eigenlijk was het zo’n typische Hollandse herfstdag, waarop het zuur verdiende Top GGZ Keurmerk, de klanttevredenheid van 8½ en de buitengewoon hoge medewerkerstevredenheid bijna geheel verbleekten, er was alleen nog maar de grote ophef, op directieniveau. Ik zal het hier maar direct opbiechten: dat kwam eigenlijk door mij. Sorry daarvoor. Alleen: ik heb niets gedaan! Althans, nóg niet… tot nu toe schrééf ik alleen maar… en daar komt nu eindelijk enige verandering in. Langzaam maar zeker. Daarom druk ik u op het hart: blijf hier, bij deze weblog.

Het startschot hiervoor is in elk opzicht gegeven door het dappere directieduo, Wencke de Wildt & Jasper ten Dam, vermaard koningskoppel van de Jellinek. Eer en hulde aan hen! Gert & Hermien in verslavingsland. Omdat alle dingen uit de lengte of uit de breedte moeten komen, is zowel het gebrek aan bestuurlijk gewicht als het beleidsniveau op kniehoogte erg schrijnend om te zien. Een passende beeldspraak zou zijn: in dit directiekringetje drinkt men tijdens de vrijdagmiddagborrel louter Kabouter. Plop! Vrolijk nippend aan hun dwergjenevertje dansen zij op de vulkaan hun dagen voorbij. En wij, verslaafden, wij hebben weer onze eigen dans:

‘Tell me something, my friend. Have you ever danced with the devil in the pale moonlight?’

Nogal huiveringwekkend, maar iedere verslaafde kan deze vraag met ja beantwoorden, allemaal. Je wordt ertoe uitgenodigd: mag ik deze dans van u? Daar ga je. Van muurbloempje naar dolle derwisj. Op muziek van de danse macabre, van Camille Saint-Saëns. Een dans als deze biedt de verslaafde bitter weinig vertier, het is de opmaat tot zijn eigen dodenrit. Dans, mijn jongen, dans! Maar ziedaar, déze dans ontspring je. Want je stopt ermee…

Vanuit een aangeboren soort hoffelijkheid schrijf ik in deze blog ‘Wencke & Jasper’, maar het is Jasper die binnen de Jellinek volledig de dienst uitmaakt. In kringen rond de directie hoor je weleens gemopper daarover. Wanneer Wencke en Jasper samen een vergadering leiden, is het voortdurend Jasper die alle vragen beantwoordt. Hij is… de man.

Ik weet ook wel dat deze woorden zijn ego en mannelijkheid erg strelen – wie had ooit gedacht dat mijn woorden dat zouden doen! – maar dat is nu eenmaal de ironie van alles: je kunt in elk willekeurig woord lezen wat je wilt. Voor Jasper ten Dam is dit bericht waarschijnlijk nu al een soort feestrede geworden, maar dat geeft allemaal niet, lezer, ik heb er geen enkel belang bij om die twee zomaar af te vallen, maar af en toe kom ik in deze weblog op voor lotgenoten, de cliënten in de Jellinek.

Dus: waar ging al die herrie over?

De herrie ontstond doordat de cliëntenraad van de Jellinek een eigen blad uitgeeft, het Nulnummer geheten. Het is een kleurrijk magazine, komt tweemaal per jaar uit, voor en door verslaafden, oplage 3000 – en nu juist dít blad had het in zijn hoofd gehaald om mijn bericht 36 – de wegwijzer op te nemen. Tja, hoe gek kun je zijn? Of: hoe dapper! Mijn bericht was sterk ingekort, maar de kern stond er, met afbeelding en al. Twee weken geleden kwam het uit, Nulnummer no. 21, het blad heeft een vaste stek in de hal van het gebouw en gaat ook wijd het land in. Mijn bericht bestond feitelijk uit drie delen:

–  de reclamewedloop van verslavingsklinieken;
–  de Jellinek wil geen ex-cliënten over de vloer;
–  een ode aan de gewone behandelaar.

Nooit reageerde de directie op mijn aanbod, laat staan op mijn kritiek, of op wat dan ook, maar nu dan eindelijk wel: met onversneden woede. Kennelijk is dat de enige emotie die zij in huis hebben, Wencke en Jasper waren razend. Pitt Hamson was diep hun wereld binnengedrongen. Het was erg naïef van de Jellinek om dat niet te zien aankomen. Zij hebben Koning Alcohol in het gebouw toegelaten, zij hebben cliënten hun ‘uitglijers’ gegeven, en waar de Koning is, daar is Pitt ook. Hij zat achter mij aan en nu is het andersom.

Er werd over gepraat om alle reeds verzonden exemplaren terug te halen, maar dat was nauwelijks mogelijk zonder helemaal voor gek te staan. Het blad maar opheffen? Tja, ook weer zoiets. Wacht even, elk Nulnummer staat ook als pdf op de website van de Jellinek, ook dat nog! Nota bene de Arkin-cliëntenraad greep nu in. Een drastische maatregel volgde: Pitt Hamson moest eruit. Weg met hem. Twee hele pagina’s werden uit de pdf gewist.

Er werd flink opgetreden, excuusbrieven vanuit redactie en cliëntenraad vlogen richting Wencke, en hieperdepiep hoera. Allen reikten elkaar de hand, iedereen sloot vrede en alles was weer rustig… zoals de zee zich na een springvloed langzaam terugtrekt, zo ebde ook de schrik weer langzaam weg.

Het meest fascinerende aan deze zaak vond ik het volgende. De directie móest zichzelf wel een reeks vragen stellen, want hoe verklaar je nu dat zoiets gebeurd is? Waar komt die onvrede en zelfs felle tegenstand tegen sommige aspecten van ons mooie Jellinekbeleid vandaan? Wij zijn dé expert op het gebied van verslaving! Hoe gróót is dat verzet eigenlijk? Onder hoeveel mensen leeft het? Wij dachten dat het alleen maar die verdomde Pitt Hamson was! Een eenmansgek die een eenmansguerrilla tegen ons voert, net als bijvoorbeeld Che Guevara! En die Che Guevara, nou, dát was een lekker ding zeg! Tjonge jonge! En bovendien: is die hele cliëntenraad van ons nog wel te vertrouwen? (Omgekeerd vraagt men zich allang hetzelfde af.) Besloten werd: dit verzet is doodgewoon een generatieding. Klaar!

Een dergelijke conclusie komt voort uit een fraai staaltje cognitieve dissonantie. Want in het directiebrein stonden nu twee werkelijkheden recht tegenover elkaar:

1.  de Jellinek biedt eersteklas zorg;
2.  sommige ex-cliënten denken daar anders over.

Conclusie van het directiebrein: sommige ex-cliënten zijn idioten.

Nu is een dergelijke manier van denken mijzelf ook niet vreemd. Immers, zo schiet je tenminste een beetje op, het lost veel vraagstukken in één klap op. Het leven is kort hoor! Maar we moeten goed bedenken: wat zich bij mij heeft ontwikkeld tot een natuurlijke vorm van hoogmoed, daar is de Jellinek blijven steken in een rare mengeling van halsstarrigheid en de overtuiging van het eigen gelijk. Waar ik er op hamer: jullie zijn een zorginstelling!, daar omarmt de Jellinek de marktwerking, de concurrentiestrijd, de pr, de reclame en de zelfgenoegzaamheid, met aan het hoofd twee ceo’s en pal daaronder een emmer met snot met daarin de managers. In zorgjargon het ‘gouden straatje’ genoemd, omdat ze zo veel kosten. De gladjanussen en de leperds. Kortom: het zakenmodel. Zomaar een zakenmodel? Nee, nogal een eigenaardig zakenmodel, namelijk: op kosten van de zorgverzekeraars, op kosten van ons, de samenleving. Leuk zakendoen, dat wel. Het is: bedrijfje spelen.

Wencke de Wildt wil niet dat de Zes in het gebouw langskomen, zij zet nu in op een professionele ervaringsdeskundige. Op zichzelf zeg ik: hoe meer zielen, hoe meer vreugd. Maar stelt u zich dat eens voor. Een groep verslaafden luistert naar het geoliede en gestroomlijnde verhaal van een ex-verslaafde, getraind in communicatie, goeie prater, iemand die al heel lang droogstaat. Welnu: de afstand tussen hem en de groep is bijna net zo groot als de afstand tussen cliënt en behandelaar. En die ís groot! Terwijl wij kunnen zeggen: wij weten nog heel goed hoe jullie je voelen, niet lang geleden zaten wij hier ook, tussen deze muren, wij waren toen vastbesloten, alle zes. En een van ons vertelt in pakweg twintig minuten hoe het sindsdien met hem gegaan is, met eventuele vragen en al. En we gaan weer weg. En we komen weer terug.

Wij zijn geen module. Wij zijn de Zes.

En nu heb ik er schoon genoeg van! Alle keren dat wij niet zijn verschenen, komen niet meer terug. Die zijn verloren. De ceo’s slapen ’s nachts prima, zij kunnen hier goed mee leven, maar ik niet. Ik trek het aanbod in, laat verder maar zitten juf Wencke de W., ik kom die gasten nu zelf wel halen. Dus! Wie in de Jellinek zit – KBO, dagbehandeling, ambulant, detox of nazorg – die kan mij mailen, naar

pitthamson at gmail.com

Zodra twee of meer zich melden, spreken we af, op een geheime locatie. Die locatie is: het Haarlemmerplein, bij de Wubboboom. Een paar minuten daarvandaan. Dit is géén grap, dus wel nuchter zijn graag. Ik vertel wat, jullie vragen wat, en klaar is Kees. Op een woensdagavond. Natuurlijk moeten jullie aantonen in de Jellinek te zitten, door vragen te beantwoorden als: welke behandelaar maakte indruk op je en waarom? En vertel mij: op welke behandelaar werd je verliefd en waarom juist op haar.

Ik ben nog lang niet klaar. Maar dit bericht dreigt te lang te worden, dat doe ik u niet aan, ik hak het in tweeën, of in drieën. Blijf bij mij. Ik kom in vele gedaanten en slechts één daarvan is:

Pitt Hamson

41 — Peter Pan

Het woord zegt het al: Peter Pan. Het is fijn wanneer woorden dat doen, zelf iets zeggen. Want vergeet niet, lezer: elke keer wanneer ik hier een bericht schrijf, staat er eerst een tijdlang een leeg computerscherm voor mijn neus. Ik tik daar woorden in en daarmee wil ik iets zeggen. Ik dus. Daarom juichen wij het van harte toe wanneer woorden dat zelf doen, al is het maar af en toe. Soms weet ik werkelijk niet waarom ik deze blog schrijf, want bijna alles wat ik hier beweer had de lezer zelf ook wel kunnen bedenken.

Bijna alles… Het wordt tijd dat ik in deze weblog weer eens iets opmerkelijks zeg. Hier komt het: in geen enkele serieuze beschouwing over het wezen van een verslaving mag het verhaal van Peter Pan ontbreken. Het rare is, en daarom is deze weblog zo belangrijk: alleen ik vind dat!

Waarom nu juist het wezen van een verslaving? Omdat je over een verslaving duizend dingen kunt beweren. Je kunt zeggen dat het een chronische ziekte is, je kunt talloze hersenscans en onderzoeken laten zien, waarna je zegt dat het een psychiatrische aandoening is, je kunt beweren dat de verslaafde iets heel ergs in zijn leven meegemaakt moet hebben, dus je praat over zijn levenstrauma’s – die overigens volkomen in het niet vallen bij wat hem te wachten staat wanneer hij diep in zijn verslaving wegzakt en erin verdwijnt – of je denkt zeker te weten dat een verslaving cyclisch is, of je zegt dat het beheersbaar is en dat de verslaafde zijn afhankelijkheid gecontroleerd kan beoefenen, of je roept een keer dat het eigenlijk een soort allergie is… en wanneer je dat allemaal gezegd hebt dan ben je er nog lang niet, want de poel van kennis en opvattingen waarin je nu staat te vissen is eindeloos breed en peilloos diep.

Het is deze poel waarin we het ‘weten’ van de geestgeleerden aantreffen… waar we horen: zo is het, zo zijn de dingen. Is dat waar? Zijn de dingen in ons werkelijk zoals de hersenpangeleerden zeggen dat ze zijn? Maar als dat zo is, zijn deze bovenkamergeleerden dan zó ver boven zichzelf en hun vakgebied uitgestegen dat zij nu als de hogepriesters van de moderne tijd moeten worden beschouwd? Wijzen zij ons de juiste weg?

Op 16 januari dit jaar, even na half tien op een gewone maandagochtend, sprong een wiskundeleraar op zijn school van een balkon, een stedelijk gymnasium in Den Bosch. Onder schooltijd sprong hij zijn dood tegemoet, ik weet niet waarom nu juist die plek en dat tijdstip. Misschien omdat hij daar gelukkig was geweest, mensen springen vaak terwijl ze naar iets moois of vertrouwds kijken. Daar zit ook wel enige genade in, sterven met een mooi beeld voor ogen. Zo hoog, en zo verschrikkelijk alleen, daar sta je nog even, en de stad, die nu aan je voeten ligt, is de plaats waar het allemaal had moeten gebeuren en waar het kennelijk helemaal is misgegaan. Tegelijkertijd nemen wij je dit erg kwalijk, leraar, de plaats en het uur, het werpt een lange schaduw over je grafsteen.

In de avond verscheen een man op tv, een psycholoog of iets daaromheen, die ons inderdaad de weg wees. Het ging over de vraag: wat te doen met de leerlingen, velen hadden het immers min of meer zien gebeuren, of hadden hun leraar daar zien liggen. Hij zei: ‘Tien jaar geleden hadden we hen aangespoord om samen te komen en er met ons indringend over te praten, maar volgens de huidige inzichten laten we de kinderen nu juist met rust.’

De kinderen met rust laten, zo moet het nu. Geen seconde leek het tot hem door te dringen dat hij tien jaar eerder dus precies het tegenovergestelde gedaan zou hebben. En ook tóen gezegd had: zo moet het.

Het toeval wil dat ik niet alleen drankzuchtige ben, maar sinds een jaar of zeven ben ik ook gediplomeerd eerstehulpverlener. Eerstehulp eerste klasse. Nee hoor, laag op de ladder sta ik, ik ben BHV’er… maar toch, dat is ook weer niet niks. Plus elk jaar verplicht op herhalingsoefening. En nu vraag ik u op de man af: denkt u dat ik ook maar één handeling leerde die men tien jaar daarvoor nog als onzinnig bestempeld had? Nee, natuurlijk niet, niet één. Ik red gewoon uw leven en verder lullen we nergens over. Het enige wat geruisloos verdwenen is, dat is de ontnuchterende klap in het gezicht ener hysterische vrouw, bijvoorbeeld zangeres Patty Brard, van de band Luv. Dat doen we nu niet meer.

Dat we kinderen die een ernstig ongeluk hebben zien gebeuren een tijdje met rust laten, dat noem ik geen inzicht, dat is gezond verstand. Zonder twijfel heeft de psycholoog zichzelf wijsgemaakt dat hier sprake is van voortschrijdend inzicht. Dergelijke inzichten kunnen wat mij betreft niet ver genoeg voortschrijden, het liefst tot ver voorbij mijn horizon, liefst tot ver buiten de landsgrenzen. Ik hoorde een verslaafde een keer zeggen: met de kennis van nu, had ik liever niet geboren willen worden.

Dit voorval legt precies de zwakte bloot van de psychologie. Niemand wéét het, velen zeggen maar wat. Wat ík mij voorstel bij een voortschrijdend inzicht, dat is dat je de kern te pakken hebt, het wezen van iets, en dat je daar vervolgens aan schaaft, schuurt, slijpt en beitelt, voortdurend alles opnieuw bijstelt, overal waar dat nodig is. En niet dat je een bepaald inzicht domweg 180 graden draait en dan roept: ‘Dit is voortschrijdend inzicht!’ Want dan kun je ook, met evenveel recht, bij de 100 meter hardlopen start en finish opeens gaan verwisselen, tijdens de race, omdat jij dat beter vindt.

Maar u, weet goed: behandelaren kunnen in hun contact met een cliënt niet veel méér doen dan om de hete brei heen draaien… en besef ook dat juist dát meer dan genoeg is. Therapeut, blijf draaien, met je cliënt. Zijn brein is een mallemolen, stap in, draai mee. Kijk naar de as waar je omheen draait. Daar ergens zit het.

Ziezoo. Godverdomme.

Daarom nu Peter Pan. Of: het wezen van een verslaving. Want voor vandaag zijn we even klaar met de geesteswetenschap en ik zeg hier voortdurend: kijk naar de oude verhalen. Daar moet je zijn. Enige tijd geleden vertelde een van de Zes – die niet zo lang geleden een nieuwe liefde vond, hij is nu met een leuk Haags dametje van goede zeden en goede komaf – hij vertelde ons over een eigenschap die hij volgens haar nog in ruime mate bezat en waar zij verheugd over was: het kind in de man. Tot mijn eigen verbazing reageerde ik hier een beetje fel op: ‘Dat klinkt erg mooi, maar dat kind, in deze man, dronk zich wel bijna dood!’

Vijf van de Zes riepen in koor: ‘Ach, Pitt, wat ben je toch altijd tegendraads, we moeten het kind in onszelf koesteren. Door ervan te houden, houden we ook van onszelf, dat leert de psychologie.’

Ze hadden gelijk, dat wordt inderdaad geleerd. Goed, ga uw gang, ik vind altijd alles best. Koester het kind, wieg het, troost het… maar kijk niet raar op wanneer datzelfde kind jou op een goede dag meedogenloos bij de keel grijpt, wanneer het lucht en leven uit je perst, je eindeloos laat spartelen, gelijk een vis aan de haak. Want zo gaan die dingen, dat is de natuur. Een kind in een man, dat kan niet, dat gaat niet samen, zij verdragen elkaar absoluut niet. En bovendien: het kind wint altijd, moeiteloos.

De kracht van een kind, tegenover het doorgaans slappe karakter van een volwassen man, nee, de man is echt geen partij. Maar zo’n stom kind, binnenin je donder, daar word je ook niet vrolijk van, daar krijg je altijd herrie mee. Kijk naar Peter Pan en wees gewaarschuwd. Het levensverhaal van Peter Pan is niet alleen een heerlijke kindervertelling van J.M. Barrie († 1937, longontsteking, geen alcohol), maar het is ook één groot psychoanalytisch drama.

Het verhaal begint in de Londense wijk Bloomsbury… daar woont de familie Darling, het woord zegt het al. Peter glipt hier ’s avonds weleens binnen en luistert stiekem mee naar de verhalen die de moeder haar kinderen vertelt voor het slapen gaan. Hij is dol op verhalen… Op een avond wordt hij betrapt en wanneer hij vlucht verliest hij zijn schaduw. Wendy Darling, de oudste van de drie, naait zijn schaduw weer vast aan zijn voeten. Zij kent veel verhalen en daarom vraagt hij haar met hem mee te vliegen naar het mythische eiland Neverland, waar zij voor de Lost Boys kan zorgen. Neverland kent u misschien vooral door de zanger Michael Jackson, van de band The Jackson Five.

De Lost Boys? Ja, dat is Peters gang, de jongens om hem heen. Zij heten zo omdat zij uit hun kinderwagen vielen toen hun moeder met hen wandelde, in Kensington Gardens. Dat ligt tegen Hyde Park aan. De moeders hadden niets in de gaten en de jongens waren verloren.

Mooi zo. Nog voordat er ook maar iets gebeurd is, hebben we al een jongeman die zijn schaduw verliest. Een jonge vrouw geeft hem die terug. Plus, hij leeft van verhalen. Plus, hij ontfermt zich over de Verloren Jongens, wier leider hij is. En hij mist iets, in zijn droomland… hij mist een vrouw. Hij ontmoet Wendy. Oorspronkelijk had J.M. Barrie zijn boek Peter and Wendy genoemd, later doopte hij het om in Peter Pan, hetgeen ook veel beter is want Wendy verdwijnt weer uit Peters leven, zoals dat nu eenmaal gaat. Sommige mannen kún je niet volgen, jij hem niet, hij jou niet. Daar gaat dit kinderboek over… over de vraag: waarom kan dat niet?

Kijk maar eens hoe het boek begint, de eerste alinea, dan zie je al meteen waarom dat niet kan. Eigenlijk zegt de openingszin dat al, in zes woorden! Klik hier, tekst opent in nieuw tabblad.

Na het eerste hoofdstuk kookt en borrelt het overal, het psychologisch gedonder in de glazen kan beginnen. Want er is iets… met de arme Peter Pan. Het boek dat J.M. Barrie schreef liet hij voorafgaan door een gelijksoortig toneelstuk, met de titel: Peter Pan, or The Boy Who Wouldn’t Grow Up.

Wat Peter niet mist, dat is een geduchte vijand, Captain Hook. Die staat hem naar het leven, niemand weet waarom, gewoon omdat het kan. Wat Peter Pan echt heeft, dat is het elfje Tinker Bell. Zij kan mensen laten vliegen met haar elfenstof, maar alleen wanneer zij op dat moment mooie gedachten hebben. Ze is erg verliefd op Peter… maar dat is maar elfenliefde.

Van alle syndromen die er op aarde zijn, lijken twee daarvan mij aardig om een keer mee te maken. Dat zijn het Jeruzalemsyndroom en het Stendhalsyndroom. Bij het eerste vlieg je als toerist naar Jeruzalem en daar aangekomen denk je opeens dat je Jezus Christus bent. Dat vind ik wel wat. Het past ook wel bij me, om dat te denken. Bij het tweede ben je plotseling zó onder indruk van een kunstwerk dat je bewusteloos op de grond valt. Te diepe vervoering, vanwege een te indringende schoonheid. Ook erg mooi.

Er is één syndroom waarvoor wij erg uit moeten kijken, wij mannen. En meer nog: wij drinkmannen. In 1983 publiceerde de Amerikaanse psycholoog Dan Kiley een studie, die heette: The Peter Pan Syndrome: Men Who Never Grew Up. Het Peter Pansyndroom. Toch weer een psycholoog erbij, maar dit is goed gezien. Kennelijk is dit syndroom vooral voor fijnproevers, want ik sprak niemand binnen de Jellinek die ervan gehoord had, evenmin is het opgenomen in het DSM-handboek. Dus dan zit het wel snor. Het blijft tussen ons, tussen u en mij. Maar wat is het? De symptomen:

onbetrouwbaarheid, rebelsheid, woede,
afhankelijkheid en manipulatiedrang,
puberaal, onvolwassen en narcistisch.

Dat kennen ze wél in de Obrechtstraat! Peter Pan had op jonge leeftijd geweigerd om op te groeien. Dan Kiley beschouwde dit gedrag als een uiting van de diepgewortelde wens om bemoederd te worden. Met andere woorden: het kind in de man.

Het valt de lezer inderdaad op dat Peter Pan af en toe een naar kereltje is, vol eigenwaan en egoïsme. Echt een kind nog, hoe vrij hij ook zijn mag. Dat mag ons niet gebeuren, lezer, dat kan echt niet. Kruip daar op tijd uit, stop met drinken en stuur het kind in uzelf naar een heropvoedingskamp, waar het elke dag een pak slaag krijgt. Voor Peter was het te laat. Wendy had hem eruit kunnen trekken, maar hij zat er al te lang in, kon niet meer terug. Wanneer hij de kinderen terugbrengt naar Londen en weer alleen wegvliegt, ziet hij door het raam hoe Wendy zich verenigt met haar moeder, hij kijkt naar het gezinsgeluk van hen beiden. Hij kijkt naar levensliefde. Naar wie je bent, naar hoe het werkelijk is.

… he was looking through the window, at the one joy from which he was barred for ever.

Pitt 

 

40 — Zarathoestra

Namiddag, de eerste dag in maart, 2016. Wat is dat nog dichtbij, wat voelt het al ver weg! Ik zit in een behandelkamertje met nazorgbehandelaar Reyna, de ruimte biedt uitzicht op de Obrechtstraat. Het is ons afscheidsgesprek, of beter gezegd ons afrondingsgesprek, dat klinkt prettiger, zij houdt niet van afscheid nemen. Ik nu ook niet. Een heel jaar nazorg ging voorbij, onze wekelijkse groepsbijeenkomsten in het gebouw. Nu ik tegenover haar zit, denk ik onwillekeurig terug aan de eerste zin die ik tegen haar sprak, toen ik mij kwam melden voor mijn eerste nazorgavond. Terwijl ik vooraf met behandelaar Martin wat zat te praten in een verder nog leeg lokaal, stapte zij met een mok groene thee in de hand opgewekt naar binnen. Ik stond op, gaf een hand en stelde me voor: ‘Pitt Hamson, cliënt.’ Ik ging weer zitten. Ze zei: ‘Wat grappig dat je dat erbij vermeldt.’ Zelf vond ik het ook wel grappig klinken, al had ik geen idee waarom ik dat zo zei. Soms ben ik gewoon grappig, denk ik. Eindelijk eens iemand die denkt dat hij leuk is.

Maar nee, dat was het niet alleen, niet alleen een bepaald gevoel voor humor. Na drie lange maanden had ik de dagbehandeling keurig afgerond, ik had de abstinentie binnengehaald en omarmd; ik was niet meer dezelfde persoon als degene die hier voor de poort had gestaan, uitgewoond en uitgeput, in velerlei opzicht. Maar nu, nu ik me aan Reyna voorstelde, nu had ik iedereen kunnen zijn. Natuurlijk niet in haar ogen, maar in de mijne. Was ik dan soms genezen? Nee, op die manier vat ik een verslaving niet op. Ik had mijn verslaving stopgezet. Zó vat ik dat op. Door mijzelf ooit sluipenderwijs in gang gezet, nu abrupt door mij gestopt.

Hoe kan dat? Hoe kan het dat een mens dat lukt?

In de Iraanse stad Yazd doet een wonderlijk verhaal de ronde. Je komt daar mensen tegen die geloven dat er op de plaats van hun 14e-eeuwse moskee Masjid-e Jāmeh, met zijn schitterend blauw mozaïek, in goed doordachte geometrische vormen in de muren gezet en tegen de twee 48 meter hoge minaretten – daar kom je mensen tegen die geloven dat er op die plek eerst een heel andere, erg oude tempel had gestaan. Op een goede dag verving deze tempel zichzelf door de huidige moskee. Nog steeds een tempel, een ander geloof. Over de echtheid van dit verhaal kan wat mij betreft weinig twijfel bestaan, want kijk naar mij, ik deed precies hetzelfde. Nog steeds Pitt Hamson, maar nu een andere. Ik verving mijzelf.

Mooier en duidelijker kan ik het niet zeggen.

Tijdens ons laatste gesprek stelt ze me een aardige vraag, door menselijke nieuwsgierigheid gedreven: ‘Pitt, jouw manier van doen in de groep, vaak ingaan op wat iemand zegt, soms in herinnering brengen wat die persoon al eerder gezegd had, meedenken, dringende adviezen geven, wat had jij daar aan, wat leverde jou dat op?’

Tja. Zo’n vraag kun je op diverse manieren beantwoorden. Je kunt verontwaardigd uitroepen: ‘Hoezo? Waarom zou ik daar iets aan moeten hebben?’ (Je bent een heilige.) Of je zegt: ‘Nou ja, zo doe ik dat nu eenmaal.’ (Je bent een bemoeial.) Maar je kunt ook, en dit raad ik u sterk aan: gewoon antwoord geven. Probeer dat eens, in het gebouw, u bent er nu toch, probeer gewoon antwoord te geven op een vraag, er hoeft niet een heel circus omheen gebreid te worden.

Ik moest er even over nadenken, dat wel. Stel dat het mij iets had opgeleverd, wat zou dat dan zijn geweest? Ik zei: ‘Bij alle goede raad waarmee ik op de proppen kwam, was er vooral één die aandachtig luisterde: ikzelf. Ik wist dat ik het niet in mijn hoofd moest halen mijn eigen adviezen in de wind te slaan.’

Dat had me inderdaad een keer goed geholpen. En het heeft er nu zelfs toe geleid dat dit speciale bericht er is, met de intrigerende titelnaam en de eigenaardige afbeelding erboven. Daar staat: Good Thoughts, Good Deeds, Good Words. En van deze drie de laatste het meest, althans, dat geldt voor mij. In deze blog zijn het de woorden die het moeten doen.

voorbeeld no. 1

Tijdens de dagbehandeling gebeurde het dat ik ergens in de stad, nog in de vroege avond, iemand tegen het vege lijf liep die ik liever niet was tegengekomen, hoe onvermijdelijk die ontmoeting in feite ook was. Eenmaal weer helemaal nuchter was er geen ontkomen aan, want dergelijke ontmoetingen en moeilijke gesprekken komen nu eenmaal, ze komen recht op je af. Het werd erg pijnlijk en ook erg onaangenaam, althans voor mij. In de tram naar huis schoten mijn eigen woorden me te binnen: ‘We leven hier drie maanden lang onder flinke druk en staan soms onder hoogspanning. Wanneer je opeens tegen grote tegenslag aanloopt, doe dan iets, meteen, blijf niet thuis zitten mokken en treuren.’ Ik kwam thuis, kwart voor negen ’s avonds, het was koud buiten, decembermaand, de regen kletterde naar beneden, ik pakte mijn zwemtas en fietste naar het Marnixbad. Tot tien uur open. Direct actie, het waren mijn eigen woorden geweest. Baantjes trekken. In het zwembad zwom ik alles van mij af, althans voor die dag, maar daar ging het juist ook om. Je moet die maanden doorkomen. Overleven. Zie ook bericht 11 – hard & zacht, waarin ik schrijf over twee manieren van overleven.

voorbeeld no. 2

In bericht 22 – tussen hond en wolf gaf ik drankzuchtigen de goede raad om na een succesvolle behandeling in een kliniek eens met vakantie te gaan naar een islamitisch land. Tja. Dat waren mijn eigen woorden. En daar zit ik nu dus. Op maandag 24 juli vloog ik via Wenen vrij goedkoop naar Teheran, ik trek vier weken lang door Iran. Op de bonnefooi, ik zie wel waar ik heenga, ik zie wel waar ik uitkom. Dit is de beste manier, want zoals ik de Ierse komiek Spike Milligan een keer hoorde zeggen: we had no plan, so nothing could go wrong. Op dit moment zit ik op het kleine eiland Qeshm, in de Straat van Hormus. De hele Perzische Golf spoelde over mij heen. Het is nu erg heet in Iran, dat wel, rond de veertig graden en in het zuiden loopt dat nog verder op, maar ik kon niet eerder weg. Natuurlijk neem ik u in gedachten mee – ik schrijf dit op een tablet, dat is echt goed te doen – dat wil zeggen, ik neem u mee voor zover ik deze reis kan koppelen aan drankzucht.

Daarom kom ik nu meteen met les no. 1: de hitte. Er is maar één manier om daarmee om te gaan: je mág je er niet druk over maken. Dan wordt alles hopeloos en bovendien is er toch niets aan te doen. En trouwens, je lichaam regelt alles. Tijdens je verslaving hield het je in leven, en hier zweet het zich eerst te pletter en dan juist weer niet. Denk aan een Arabier op zijn kameel: hij hangt maar wat. Voor wie stopt met drinken: bijna álles gaat een tijdlang stroef en moeilijk. Niets aan te doen, maak je niet te druk, raak niet opgefokt. Dat maakt het nog lastiger dan het al is.

Belangrijk. Even tussendoor: natuurlijk weet ik ook wel dat niet iedereen zin heeft in een reis door een arm en streng geleid land als Iran. Hoe rijk en oud hun Perzische cultuur ook is. Maar bij elk welgemeend advies dat ik hier geef, gaat het telkens om de strekking. De strekking van mijn reisadvies is: plaats jezelf in situaties waarin je je niet druk mág maken. Zoek ze op. Ga naar de sauna. Train jezelf. Maak een lange strandwandeling, van plaats A naar B. Eenmaal halverwege móet je wel doorlopen. Ik hamer hier vaak op: training. Want ik heb geen idee hoe het anders kan.

Ga naar Egypte. Of naar Marokko. Ga naar Iran. De hele dag, dag in dag uit, zie ik hier mensen die het gezellig hebben zonder alcohol. In schaduwrijke parken of plantsoenen, in eettentjes, in mijn hotelletjes, in treinen, in kleine koffie- of theetentjes, voor zover die er zijn, op de sporadische terrasjes in Teheran, waar de hippe youngsters komen, mensen als Joost en Adri, de jongste twee van de Zes. Er zal echt wel ergens alcohol zijn, zelfs hier, maar je ziet het niet. Je ziet mensen genieten van elkaar, van zichzelf, zonder drank. Overal lopen ze te dollen en te grappen, ik kom maar heel weinig chagrijnige Iraniërs tegen. Dus in korte tijd raak je opnieuw geprogrammeerd: het kan ook zonder.

En nu iets heel moois, les no. 2, naar aanleiding van de hitte. De hele dag snak je naar… water! Heerlijk helder water. Overal in Iran staan talloze kleine fonteintjes op straat, de hele dag vul ik mijn plastic flesje met gekoeld kraanwater. Ik kom nu met een ontboezeming: op de eerste dag kocht ik bij een kruideniertje een halve liter bronwater… het flesje heeft de platte en licht gebolde vorm van een zakflacon! Ik loop er nog steeds mee rond, wil er geen afstand van doen, ik geef toe: dit heeft iets pervers. Drankzuchtig bloed kruipt waar het niet gaan kan…

Ten slotte. De naam Zarathoestra boven dit bericht, ook wel Zoroaster genoemd. In de afbeelding zie je hem staan, de vleugels naast hem symboliseren een beschermengel, of geest, de ring in zijn hand staat voor de eeuwige kringloop van alles. Wij kennen zijn naam vooral van het filosofisch werk Also sprach Zarathustra, van Friedrich Nietzsche († 1900, geen alcohol, alleen syfilis). Zarathoestra leefde in Perzië rond 1200 voor Christus en was de stichter van het zogeheten zoroastrinisme, een nu bijna vergeten godsdienst die het gehele Perzische Rijk omvatte, tot aan de komst van de islam. Er is nu nog een klein aantal aanhangers over, destijds gevlucht naar India. In India vinden ze altijd alles best. Daar lopen echt de gekste figuren vrij in de rondte. In Nederland trouwens ook. Er moet nu toch werkelijk een politieke partij opstaan tegen de gevaarlijke transgenderisering van ons geliefde vaderland.

Misschien roept u nu, naar aanleiding van Zarathoestra: ‘Zeg Pitt, zit je weer in een pot oude soep te roeren?’ maar dan wijs ik u even fijntjes op een wel zeer bekende zoroastriaan, namelijk Freddie Mercury, van de band Queen. Zingen kon hij niet, pianospelen trouwens ook niet. Eigenlijk kon hij helemaal niks, maar daar hebben we het nu niet over. No time for losers, ‘cause we are the champions.

Over Zarathoestra lees je dat hij dualist was. Hij aanbad twee goden. Die van het goede en van het kwade. Beide in een eeuwige strijd verwikkeld. Klinkt bekend, maar daarmee doe je hem bepaald geen recht en bovendien heb ik er niets aan in het kader van drankzucht. Graaf je dieper in zijn ideeën, dan zie je iets anders. Zarathoestra geloofde in een god van stilstand (de god van het ‘kijken’) en in een god van beweging (de god van de ‘groei’), zoals hij dat noemde.

En dát geef ik u mee, vanuit het hete, kale, bergachtige, dorre, woestijnrijke, ruige en prachtige Iran. Wij, u en ik, wij moeten groeien. Wij groeien onze verslaving uit. Hij past ons niet meer. Het moeilijke eerste jaar, waar je doorheen moet, dat zijn niet meer dan groeipijnen.

Laat in de middag stap ik in Mashhad, dichtbij de grens met Afghanistan, in de nachttrein. Mashhad is een stad die ik per se wilde zien, die ik althans wilde meemaken, vanwege het enorme moskeeëncomplex dat zich hier bevindt, eigenlijk een stad in een stad, vergelijkbaar met Vaticaanstad en misschien ook met Mekka, maar hier mag ook ik binnengaan – ik neem de nachttrein naar Yazd, duizend kilometer naar het zuiden. Enige tijd na zonsondergang stoppen we op een verlaten station. Er staat alleen een goederentrein, in het duister. Drommen mensen stappen uit, mannen, vrouwen, kinderen aan de hand, baby’s in de arm, allen haasten zich zwijgend naar een gebedsruimte aan het eind van het halfdonkere perron. Ik sta buiten en zie hen gaan, de lange zwarte chadors van de vrouwen wapperen in de warme woestijnwind. Elk rijtuig heeft een eigen conducteur, zij wachten buiten, bij de geopende deuren. Niet lang daarna komen de mensen terug, een straathond die niet bang is uitgevallen, kwispelt, liggend op zijn buik kijkt hij toe. Zijn we niemand vergeten? De locomotief fluit en huilt enkele malen, we gaan weer verder, we rijden de nacht in, door de zandduinen van de Dasht-e Kavir woestijn. Je moet ervan houden, van de woestijn, en dat doe ik ook, heel erg. En je kunt houden van de mensen die er wonen, en ook dat doe ik.

Ik kom ze hier tegen en loop naar ze toe. Ik schud hen de hand, stel me aan hen voor: ‘Pitt Hamson, allemansvriend.’

Pitt

 

39 — mindfulness

Zalig Pasen, aan u allen! En ook Pinksteren! Met terugwerkende kracht. En in het kader van het wel en wee van Pitt Hamson, even het volgende. Enige tijd geleden overkwam mij wat onze Engelse vrienden noemen: een burn-out. Helemaal opgebrand was ik. Niet een hele dag, hoor, maar toch wel bijna een uur lang. Een burn-out, net als Sophie Hilbrand en talloze andere BN’ers. Tel daar nog eens honderdduizenden gewone burgers bij op en nu kan ik zeggen: ik hoor overal een beetje bij. Ik mis alleen nog een toefje autisme erbovenop de kers op de taart – en hierin loopt Filemon Wesselink flink op mij voor. Steeds zorgelijker kijkt hij onze huiskamers binnen, het leven drukt zwaar. Het leven, het lijden. Moderner gezegd: The Passion van Filemon.

In onze hedendaagse samenleving zijn psychische aandoeningen buitengewoon populair geworden, zowel om ze te hebben als om anderen ermee op te zadelen. Vroeger had je de Beatles, de Rolling Stones en de flower power-beweging, en nu hebben we de psychische aandoeningen. De mensen op aarde worden altijd massaal idolaat ergens van, óf ze worden massaal gek, kennelijk kan dat niet anders dan zo. Natuurlijk heeft dit alles ook zijn weerslag op de Zes. Zie bericht 31 de Zes. Onze Henk kreeg tijdens zijn levenswandel een posttraumatische stressstoornis in zijn rugzakje. Hier jongen, voor onderweg. Plus: hij lijdt aan een theatrale persoonlijkheidsstoornis, ongeveer van hier naar Tokyo. Onze Adri, echter, is dysthym, zo werd vastgesteld. Oei!, zou je denken – en wat een toverachtig woord is dat – maar gelukkig staat het voor een bescheiden hoewel chronische depressieve stoornis. Zoals onze Engelse vrienden vroeger zeiden: Lange Poten heeft de blues. En onlangs kwam ook onze MiK uit de kast: er zit een storing in zijn autismespectrum.

Hahaha! Toch houd ik van ze. Schip ahoy! Recht zo die gaat.

Dit betekent dus wel dat maar liefst drie van de Zes niet helemaal lekker zijn, bovenin. Een score van 50 procent en dat lijkt nogal wat, maar in onze moderne tijd is dat niet veel. Denk wél af en toe aan Edgar Allan Poe († 1849, veertig geworden; alcohol, drugs & hondsdolheid) die de lezer in een van zijn korte verhalen op het hart drukte: believe nothing you hear, and only half of what you see. Goed zo, Edgar, aan jou hebben we tenminste iets. Binnen de Zes zijn alleen Pjotr, Joost en ikzelf helemaal normaal. Wij kregen in het Jellinekgebouw geen diagnose opgespeld, bij ons konden ze niets vinden. We zullen wel onze dingetjes hebben, maar die doen er niet toe.

De eerste drie – de mannen die niet goed zijn, als ik dat zo mag zeggen – schreven zich nooit in voor een mindfulness-training. De kunst van het mediteren. Bij de laatste drie – de normalen, zogezegd – zijn er twee die dat wél deden. Pjotr en ik. We volgden een cursus, één avond in de week, zes weken lang, mét huiswerk voor elke dag. Bij Maitreya in Amsterdam.

Een knaap was ik nog maar en op een zondagmiddag zat ik mij thuis stierlijk te vervelen. Mijn vader draaide in de woonkamer langspeelplaten met symfonieën van Beethoven, waardoor ik mij nóg meer verveelde. Toch waren het juist die zondagmiddagen die mijn latere liefde voor klassieke muziek aanwakkerden. Ik klaagde mijn nood bij mijn moeder, die zei: ‘Als je je zo verveelt, dan ga je maar een boek schrijven.’ Met mijn jongensstemmetje kraaide ik: ‘Ik heb geen inspiratie, moeder!’ Meteen kwam haar vaste antwoord: ‘Dan máák je maar inspiratie!’

Ze was me er een, mijn moeder. Maar toch, zoals dat gaat, toch sloeg die voortdurende boodschap wel degelijk aan.

Wat er niet is, dat maak je.

Vergelijking 1
Stel, je zit in het concertgebouw, je luistert naar een concert. Bach, de pianosonates. Op het podium zit de pianist. Een paar stoelen verderop zit een of andere snuiter hinderlijk te kuchen, het houdt maar niet op. Je denkt: een roker! Bah, wat een afschuwelijke kerel! Uitgerekend een verslaafde, die nu mijn plezier en genot bederft. Je eerste gedachte is: wat een ramp, als ik straks thuis ben ga ik mooi weer drinken! Eén keertje maar. Maar wacht eens even. Je hebt een meditatietraining gevolgd. Daarom: je sluit even je ogen, focust op je ademhaling, duikt in de mindfulmodus, een paar minuten maar. Wat er nu gebeurt is geweldig. Het gekuch verdwijnt niet, maar het wordt: geluid. Alleen maar geluid, niet ónprettig – niet prettig. Trillingen van de lucht. Dat was een onderdeel van de training: prikkels van buiten neutraliseren. Bedenk wel: de zoete klanken van de piano zijn nu óók weg, ze klinken althans niet zoet meer, ook zij zijn geluid geworden. Klanken zonder betekenis.

Eigenlijk kun je over mediteren net zo kort zijn als over lichaamsbeweging of gezonde voeding. Het is goed voor je, klaar. Doe je het niet? Dan niet. Af en toe zie je op de televisie of in bladen een stoere BN’er tekeergaan tegen mindfulness: het is zweverige flauwekul, een modeverschijnsel. Of zij dwepen ermee, juist omdat zij denken dat het een modeverschijnsel ís. Het getuigt van grote kortzichtigheid om de eeuwenoude meditatietechnieken af te doen als flauwekul. Het getuigt óók van kortzichtigheid om mindfulness voor te stellen als de weg naar een gelukkig leven.

De weg naar boven, die ken ik. De weg naar beneden ken ik ook. Maar de weg naar een gelukkig leven, waarin alles gelijk is aan het kleinste zuchtje van de wind, nee, daar heb ik nog nooit van gehoord.

De mens is voor het geluk niet geboren. Het is vreemd dat er zó veel gepraat wordt over iets wat je zo weinig om je heen ziet. Het is vreemd dat wij het woord überhaupt kennen. Drankzuchtigen weten natuurlijk wél wat geluk is, heel goed zelfs, maar wij mogen dus niks. Dat is het enige eraan. Zie bericht 35 de verbanning. Toevalligerwijze was het thema van de Boekenweek dit jaar: verboden vruchten. Meervoud, want je hebt er veel van, bijvoorbeeld: druiven, mout, gerst en hop. Plus natuurlijk het citroentje met suiker, de bessenjenever en bananenlikeur. Zeer verboden vruchten. Daar blijven wij ver van. Wel jammer, erg jammer allemaal. Intens triest eigenlijk.

Op een van onze avonden zeiden twee van de Zes hierover iets moois: ‘We vinden niet dat een begrip als ‘geluk’ op welke manier dan ook gekoppeld zou moeten worden aan alcohol.’ Dat vond ik een rake en zuivere opmerking. Alcohol heeft te veel kapot gemaakt. Een waardig moreel oordeel. Alleen knaagt er dan wel iets: wat nu, als die koppeling er domweg is? Dan geldt: wapen jezelf ertegen.

De reden dat ik mindfulness hier ter sprake breng, is omdat ik het inderdaad als een krachtig wapen beschouw in de strijd tegen een verslaving. De Jellinek gaf cliënten een gedegen mindfulness-training in het gebouw, maar stopte daarmee vanwege de zorgverzekeraars die het niet als evidence based opvatten. Ik heb nu erg goed nieuws, vooral voor de cliënten, voor de Jellinek, voor directeur Wencke de Wildt: de zorgverzekeraars vergoeden het nu weer! Ook aan de Jellinek. Het kan weer. Zorgverzekeraar Achmea zélf schreef mij dat. Ik kom hier nog uitgebreid op terug, op Achmea en mij. Want ik ben maar eens met hen gaan praten, over de Jellinek en hoe ik over de dingen denk. Ik zit nooit stil. Ook al schreef ik een tijdje niet. Maar nu pak ik de draad weer op.

Ziezoo.

Mensen willen over mindfulness vaak weten: waarom schrijven we dat met maar één ‘l’?

Ja jeetje, zeg. Het oorspronkelijke full is een achtervoegsel bij mind, zoals het ful in handful of beautiful. Dat noemen we een suffix en de schrijfwijze is domweg zo afgesproken. Ons eigen suffix ‘rijk’ lijkt erop, zoals in ‘belangrijk’ of ‘geestrijk’. Geestrijk vocht bijvoorbeeld. Spiritualiën. Spiritueel.

Woorden als spiritualiteit – en ook religie – zijn in onze tijd stevige scheldwoorden geworden. Krijg de religie! De grote verhalen, waar de mens lang mee leefde, zijn buiten bereik gekomen, vervaagd of verdwenen. Gelukkig kijken de mensen nu de hele dag op hun smartphone, dan hebben ze toch nog iets. Maar de wind fluistert hen niets meer in het oor, niet meer de namen, niet de verhalen, hij is gaan liggen, of gaat gewoon aan hen voorbij. Waar het op neerkomt is dit: de menselijke geest is net zo te trainen als het lichaam. En jezelf ergens in trainen… daar draait voor de verslaafde alles om.

Vergelijking 2
Mozart schreef een keer dat de kern van muziek de stilte is tussen twee noten. Je kunt ook zeggen: de kern van een gedicht is hetgeen je leest tussen de regels. Of je zegt: bij mindfulness zoek je de tijd die tussen seconden loopt, tussen het tikken van een klok door.

Het is lastig om meditatie goed te beschrijven, hoe moet het, wat doet het, wat heb je er aan? De nazorg van de Jellinek werd altijd begonnen met een kwartier meditatie, onder leiding van de goede behandelaar Reyna en het maakte niet uit hoe ongeoefend iedereen was. Dit is wel een belangrijk gegeven: het maakt niet uit hoe ongeoefend je bent, het effect voelt iedereen direct. Daarom plaatste ik hierboven een foto van mediterende kinderen: op een van de basisscholen waar ik lesgeef loop ik elke week langs de yogajuf en haar klasje. Dat is een erg mooi gezicht, al die kinderen, eindelijk eens doodstil en bijna plechtig. De yogajuf heeft zelf ook een mooi gezicht en natuurlijk ook een mooi lichaam, dus stapte ik op een goede dag op haar af. Ik zei: ‘Vertel me eens, juf, jouw kinderen pikken de kunst van het mediteren kennelijk heel gemakkelijk op. Is het niet zo, dat op het moment dat jij met de allereerste oefening begint, dat de menselijke geest direct herkent wat er van hem gevraagd wordt? Dat onze geest domweg meteen gehoorzaamt en dat ook heel graag doet?’

Zij: ‘Ja. Dat is zo.’
Ik: ‘Kun je zeggen dat de geest tijdens een meditatie eindelijk eens helemaal genoeg heeft aan zichzelf?’
Zij: ‘Dat kun je zeggen.’

Vergelijking 3
Nadat ik bij Maitreya de cursus had gedaan, at ik ergens met twee oude vrienden. Ik vertelde er enthousiast over, drong er bij hen op aan dat zij mijn voorbeeld zouden volgen. Een van hen zei toen: ‘Geef ons één reden waarom wij zo’n meditatiecursus zouden gaan doen?’ Ik antwoordde: ‘Stel dat iemand alles van popmuziek weet, maar nooit één noot klassieke muziek hoorde. Dan kun je tegen hem zeggen: jij hebt iets waardevols gemist in je leven.’

En dit waren twee doodgewone mannen, nergens verslaafd aan. Maar waarom raad ik het juist verslaafden zo aan? Dat komt door een van de eerste dingen die je leert tijdens een cursus. Alle beginners hebben enorme last van het afdwalen van gedachten. Je probeert je te focussen op je ademhaling en opeens zit je te denken aan iets onnozels. Iedereen stoort zich daar vreselijk aan, iedereen denkt: ik leer het nooit! Daarom train je in het begin voortdurend op het besef van één ding: welke gedachte er ook komt, hij drijft weer verder, zoals een wolk aan de hemel. Verzet je er niet tegen. Doe er gewoon niets mee. Een volgende gedachte komt eraan. En drijft weer verder. En zo gaat het door, zolang je bezig bent. Zoals geluiden van buiten niet meer storend hoeven te zijn, zo storen gedachten op den duur ook niet meer. Laat ze gaan. Dit lukt je veel sneller dan mensen bij aanvang denken!

In de handen van een verslaafde is dit een kostbare vaardigheid. Juist wanneer hij gestopt is wordt hij gebombardeerd met gedachten, met aansporingen van binnenuit, toe, ga nu drinken, ga gebruiken! Eén keer maar! Kom op nou! Alleen vandaag! Daar zul je dus tegen moeten vechten. Of… je wacht rustig… tot deze gedachten voorbij drijven… zij doen er niet toe. Daar ben je door mindfulness in getraind, juist doordat je maar een beginner bent.

Je pakt maar een klein deel van het mediteren en dat trek je naar je toe. Misschien ga je er mee door, misschien niet. Maar dít heb je nu te pakken: juist niet vechten tegen gedachten, juist niet een positieve draai eraan willen geven, niet naar je hand willen zetten, ze evenmin proberen te negeren… maar ze domweg te laten gaan…

Laten komen, laten gaan. En weer laten komen, en weer laten gaan. Want ze komen tóch. En ze gaan tóch weer. Het zijn alleen maar… gedachten. Niets meer, niets minder.

Pitt

38 — renaissance

Op donderdag 2 maart, in de actualiteitenrubriek Nieuwsuur, de aflevering waarin Alexander Pechtold aan de tand gevoeld werd, zwenkte de camera opeens naar het publiek en zoomde in op een man, een kerel op de voorste rij. Het was een psychopaat, dat zag ik meteen. Dat zie je zo. De man vertelde aan Pechtold dat hij nu 57 jaar was. Ik nam aan dat hij ging zeggen dat de pensioenleeftijd verlaagd moest worden naar 57. In plaats daarvan zei hij iets heel anders, van een heel ander kaliber, hij zei: ‘Ik wil dood. Niet pas op mijn 75e. Ik wil nu.’

Nederland, anno 2017. De eenentwintigste eeuw. Kiezers die op de televisie tegen een lijsttrekker zeggen dat zij dood willen.

Natuurlijk toonde Pechtold begrip voor de zaak, wilde het graag voor de man regelen, maar vroeg om enig geduld. Immers, Keulen en Aken gooi je ook niet in één dag plat. Als ik daar gezeten had, zou ik hebben geroepen: ‘Mijn naam is Pitt Hamson en wel hierom. Het is een groot wonder dat ik nog leef en ik vind het leven prima de luxe! Die meneer die dood wil, dat is een bal gehakt!’

Het rare is dat je niet tegen hem kunt zeggen: ‘Als u het hier niet bevalt, dan pleurt u maar op!’ Want hij wil juist oppleuren. Eindelijk iemand die het wil, dan mag het weer niet. Dat maakt de politiek zo boeiend en ingewikkeld. Mark Rutte zei later geen haast te hebben met een wet over stervenshulp bij een voltooid leven. Pechtold vond dat slap van hem. ‘Je laat mensen dan vier jaar lang in de kou staan,’ zei hij op de radio. Dat klopt, die mensen staan vier jaar lang in de kou, terwijl ze al die tijd in de kou hadden kunnen liggen. Diep in de koude grond begraven. Jarenlang moeten wachten op je dood is onmenselijk, tot je eindelijk een keer aan de beurt bent, daar weten verslaafden alles van.

De woorden van de man zetten mij aan het denken. Het zou het beste zijn wanneer hij de Dodenpartij oprichtte, voor mensen die dood willen. Niet in de peilingen, maar in werkelijkheid verliest de partij aan de lopende band haar zetels en haar leden. Er loopt nu zo veel gekkigheid rond op het Binnenhof, de Dodenpartij kan gemakkelijk aanschuiven. En trouwens: waarom is er geen alcoholpartij? Ligt hier een taak voor mijzelf? Geïnspireerd door de partij Denk, zou ik mijn partij kortweg noemen: Drank!

Of beter nog: ‘Denk Drank!’ Of ook, bijvoorbeeld: ‘Drank!, denk?’ Want zo praten de mensen in Castricum, met het rare ‘denk’ achter een zin. ‘Vandaag gaat het regenen, denk?’

Ach, Castricum. Ach, Beverwijk en Heemskerk, en ach, Uitgeest en Heiloo. Wat moest ik daar eigenlijk, in mijn jonge jaren? Nou ja, ik speelde daar gitaar in een band, dat was heerlijk. Maar wat moest ik er nú? Een week geleden was ik er, samen met Adri – alias Lange Poten, een van de Zes – en precies een jaar eerder waren we daar ook al. Nu voor de tweede maal op bezoek bij onze zorgenbroeder Michiel, nogmaals opgenomen in een gesticht. Deze woorden leest hij ook, hij is de cocaïnefetisjist, zijn geest raakte hierdoor op een zijspoor. Een dwaalspoor wil ik het niet noemen. Overmatig drugs- of drankgebruik is nu eenmaal niet best voor de bovenkamer van de verslaafde. Het zet geen zoden aan de dijk. Integendeel, het slaat er een bres in, vreemde gedachten stromen vrij naar binnen.

In de avond kwamen we er, rond een uur of zeven, we drukten op de bel van een gesloten afdeling. Een oogverblindend mooie verpleegkundige liet ons binnen, het lange haar, dat in golvende slagen over haar schouders viel, had zij in een betoverende zachtpaarse gloed gespoeld. Ik dacht: ‘Voor jóu wil een man als ik sterven.’ Adri, die eveneens volkomen hoteldebotel van haar was, zei later: ‘Zoiets moet je daarbinnen nooit hardop zeggen.’ Zij leidde ons een lange gang door, we liepen langs de werkkamer van geneesheer-directeur Klaas Bets, die een briefje op zijn deur geprikt had: ik wil niet gestoord worden!

Aan het eind van de gang passeerden we twee patiënten, somber keken zij voor zich uit, in het voorbijgaan hoorde ik de een tegen de ander zeggen:

‘Doe eens normaal, man!’
.De ander zei:
‘Doe zélf normaal!’

Eindelijk kwamen we in een kleine ontvangstruimte, een tafel, twee fauteuils, in een hoek van de kamer stond een patiënt die dacht dat hij een schemerlamp was. We hadden licht. Vergeet dat nooit, lezer, er is licht. Het ging redelijk goed met onze vriend. Hij kreeg nul medicijnen toegediend, ik wist niet wat ik hoorde! Eindelijk eens. Praten, veel sporten en zo veel mogelijk normaal doen, dat stond op het programma. Drie maanden lang had ik in de dagbehandeling van de Jellinek met hem opgetrokken. Hij had het daar uitstekend gedaan, geen terugvallen gehad. Daarna, na zijn ontslag wel, en flink ook.

Het voelde eigenlijk wel lekker, zo in de nacht, toen ik zag hoe die geschifte Turkse minister krijsend en scheldend ons land uit werd gekieperd. Wegwezen, gek wijf. En dan ga je ook. Nederland–Turkije: 1-0. Het gaf me een ouderwets wij-gevoel, iets wat het Nederlands elftal ons allang niet meer geven kan. Toen ging een groep Turkse Nederlanders op de Blaak staan. Nou ja, wij zijn ook jong geweest, toch? En ook zij hadden reden om zich na afloop lekker te voelen want als leeuwen hadden zij gevochten voor het verre vaderland. Nederland–Turkije: 1-1. Nou ja, als leeuwen? Na urenlang niks en één waterkannonnetje later, was het klaar. Er was een tijd dat dat heel anders ging… Nederlanders tegen Nederlanders… dán schrik je…

Het boek De slag om de Blauwbrug van A.F.Th. van der Heijden, beschrijft de strijd tussen krakers en politie, tijdens de kroningsdag van Beatrix in Amsterdam. Ik was daar bij toeval als burger tussen geraakt; het wás ook echt een veldslag. De Blauwbrug, naast het Waterlooplein, was in handen van de politie gevallen. Krakers probeerden de brug te heroveren. Moet je nagaan! Deze stadsguerrilla verplaatste zich daarna naar de Damstraat, de krakers wilden eerst de Dam veroveren en daarna de Nieuwe Kerk, waar de plechtigheid in volle gang was. Voor elke stoep- of straattegel terreinwinst werd gevochten, het was nu man tegen man. Maar mannen waren toen nog mannen: tijdens de behandeling in de Jellinek werd er drie maanden lang niet gedronken of gebruikt, klaar. Anders: eruit. Wegwezen. Zoals de minister. Meld je opnieuw aan, wanneer je daar aan toe bent.

Ik moest wel grinniken toen ik burgemeester Aboutaleb kwaad hoorde zeggen dat de Turkse Turken ons misleid hadden! Wat is daar mis mee dan? Onze politici misleiden óns, met schone beloften, wíj misleiden de overheid, met onze belastingaangiften, kinderen misleiden hun ouders, echtparen misleiden elkaar, landen misleiden landen, verslaafden misleiden iederéén, en straks, wanneer er dan eindelijk buitenaards leven wordt ontdekt, dan misleidt de mensheid de alien door tegen hem te zeggen: wij komen in vrede. Hahaha! Ik dacht het niet.

En terwijl er in de inrichting in Castricum met man en macht geknokt wordt voor het behoud van hun patiënten, met één ideaalbeeld voor ogen: hun genezing, zo diep als dat maar gaat, en waar wij en de wereld nu voortdurend verslag doen van de opstand der Turken + Turkse Nederlanders tegen Nederland, zo besteedde niemand enige aandacht aan één simpele opmerking: ‘Ik wil dood. Ik wil nu.’ Het leek door iedereen als een doodgewone alledaagse opmerking te zijn opgevat. Maar niet door mij.

Ik wil dood, ik wil nu. Ik wil geluk, ik wil nu. Ik wil boos, ik wil nu. Ik wil schelden, ik wil nu. Ik wil drinken, spuiten, snuiven, roken, slikken, ik wil nu…

Het lijkt wel allemaal hetzelfde. Ik wil weg, nog veel verder, ver weg, voorbij de einder, waarom ik niet. Laat ik u daarom een stemadvies geven. Mocht u straks, na de verkiezingsuitslag denken: jeetje, nu móet ik gaan drinken!, dan zeg ik, oké, dat is best, ik meld u aan bij de Dodenpartij. Zegt u echter: ‘Ik wil leven, ik wil nu!’ dan bent u bij mij aan het goede adres. Ik meld u aan bij de Leefpartij.

En trouwens, de waarheid is: wij hadden nog een appeltje te schillen met onze Turkse broeders en zusters…

Het is 28 mei 1453… we zijn in Constantinopel, dat snel tot Istanbul zal worden omgedoopt, het is de laatste avond, de volgende dag zal de stad, hoofdstad van het Byzantijnse Rijk, vallen. De mannen komen daarom bijeen, een laatste keer, in de Aya Sophia, dan nog een kathedraal, de grootste in de wereld… sterke mannen, huilend staan zij daar, ze bidden en waken, de gehele nacht, de keizer in hun midden. De volgende ochtend vecht hij in de straten mee, het is allemaal tevergeefs, sultan Mehmet II neemt de stad in. En bouwt het Ottomaanse Rijk, dat op zijn beurt ook weer ten einde liep, nu bijna een eeuw geleden.

Maar! De intellectuelen van Constantinopel ontvluchtten na de verovering hun stad. De denkers en geleerden trokken in grote getale naar West-Europa, vooral Italië. Deze vlucht van kennis was een belangrijke factor voor de ontwikkeling van de renaissance.

De renaissance, de ‘wedergeboorte’ van de verworvenheden van de klassieke oudheid en de explosieve groei van de schone kunsten, kwam tot bloei, mede dankzij de val van Constantinopel. De middeleeuwen waren voorbij.

‘Morgen schijnt de zon, denk?’

Pitt

37 — de relatie

De relatie tussen Don en Glenn verliep al erg stroef, ik heb het over Don Felder en Glenn Frey. En toen gebeurde het, de uitbarsting, tijdens een van de laatste optredens die The Eagles in hun glorietijd gaven. De een vergat dat de microfoon van de ander openstond. Kokend van woede keek hij naar die ander, misschien dacht hij: ‘Psychopaat!’ Meteen daarop liep hij naar de zanger toe en schreeuwde in zijn oor, voor iedereen hoorbaar: ‘Na het laatste nummer sla ik jou helemaal in elkaar!’ Hahaha! Ach lezer, soms kun je zó van mensen houden! In het gebouw legde ik een keer aan therapeute Zwaan uit: ‘Als Jellinek-psychologe moet je proberen om je te verplaatsen in een man. Een man wil maar vier dingen.’

1. drank
2. nog meer drank
3. seks
4. iemand in elkaar beuken.

Het grappige was: na deze woorden leunde ze achterover in haar stoel, een bureau stond tussen ons in, ze keek me alleen maar aan en zei niets. Dat vond ik mooi. Ik zei ook niets en keek alleen maar terug. Toen pakte ze haar pen en vroeg: ‘Maar verder gaat alles goed?’ Ik knikte voorzichtig. Je bent altijd een beetje op je hoede, met therapeutische figuren. Het is soms linke soep, met psychologen. Na hun jarenlange studie, die hen de mogelijkheid gaf zichzelf intens te bestuderen, zich te verdiepen in het eigen bestaan en antwoord te vinden op de vraag: wie ben ik?, na al die jaren van introspectie, blaas je hen echt niet zomaar omver. Tegelijkertijd mag je niet toelaten dat zij jou omver blazen. Daarom tussendoor even het volgende.

Een zwaan weegt gemiddeld 13 kilo, voor een vogel is dat bijna te zwaar om te kunnen vliegen, vooral het opstijgen is een gedoe. Dat lukt ze alleen met een uiterste krachtsexplosie. Plus: een zwaan is ook nog eens erg breed, met zijn vleugels uitgestrekt. Dit houdt in dat hij móet blijven vliegen, even zweven is er niet bij, zijn evenwicht is te kwetsbaar. Je ziet het zelden gebeuren, maar grote vogels kunnen wel degelijk in een spin terecht komen, een tolvlucht, waar zij niet meer uitkomen. Welnu, voor herstellende verslaafden geldt dat allemaal precies zo.

Pitt, wat zit je nu toch allemaal te raaskallen? Straks kunnen wij geen zwaan meer zien zonder aan verslaafden te denken. Bedankt! Tja. Dat komt door de titel boven dit bericht, de relatie. Relaties, verhoudingen, de band tussen mensen. Dit is echt een afschuwelijk onderwerp. Je zou willen dat het niet eens bestond! Wat zeg ik? Soms zou je willen dat er helemaal niks bestond! Dat je op een dag klaarwakker werd en zie, er is helemaal niemand… niks en leeg. Overal op aarde ben je alleen. Nergens ben je met zijn tweeën. Je hebt alles maar gedroomd. Alles.

Nee. Zo lukt het niet. Ik begin gewoon opnieuw. Intussen heb ik er al drie beschreven, de relatie tussen bandleden, de relatie psycholoog-cliënt, de relatie zwanen-verslaafden. Het wemelt ervan, van relaties. Overal waar je kijkt, zie je ze. Er is geen ontsnappen aan…

de relatie

Dit is geen onderwerp om grappig over te doen, althans niet wanneer je het koppelt aan verslaafden. Te ingewikkeld, te moeilijk. Te complex, te droevig. Dat zijn relaties soms toch al, maar in verslavingsland des te meer.

Eerst even een bepaalde volgorde. Een geliefde die inziet dat ik verslaafd ben en het meteen uitmaakt, heeft groot gelijk. Een geliefde die het nog een tijdje aankijkt en wacht totdat ik naar een kliniek ga, heeft eveneens groot gelijk. Een geliefde die ziet dat ik in de kliniek en nazorg diverse terugvallen heb en daarna maakt dat zij wegkomt, heeft groot gelijk. Een geliefde die domweg bij me blijft, ongeacht wat ik doe… eh… die wordt eerst zalig verklaard en daarna heilig.

Een scène uit de nazorggroep. Op een avond ging het over de vraag, die voor enkelen gold: helpt het jou dat je nog steeds een verhouding hebt? Allen dachten van wel. Een gek wijf uit Ruigoord riep zelfs: zonder mijn vriend had ik het nooit gered! Maar mét vriend ook niet, want ze dronk allang ‘gecontroleerd’. Zo noemde zij dat. Mócht eigenlijk niet binnen de nazorg, maar er mag zo veel niet, toch? Wij moesten een jaar lang haar nieuwe drankverhalen aanhoren.

Denkt u, ook maar één seconde, dat het bij de nazorg van Novarum – de kliniek voor eetstoornissen, eveneens Arkin, eveneens Obrechtstraat – dat het daar toegestaan is dat een van die meiden doodleuk zegt: ‘Af en toe vast ik nog wel, maar nu gecontroleerd.’ En dat zij daarmee de rest van de groep naar beneden trekt? Een jaar lang? Nee, Novarum trekt grenzen. Wij zagen hen af en toe, wanneer zij zich een enkele keer buiten waagden, in de tuin, zich koesterden in de zon. Eetstoornissen worden in de Obrechtstraat serieus genomen, in tegenstelling tot bijvoorbeeld drankzucht. Dat komt mede door de aaibaarheidsfactor van de meiden, nog zo jong, nog zo mooi. En misschien straks al dood. Maar wij ook, lezer, wij ook. Minder jong, minder mooi, maar net zo dood.

Ik verzette mij die avond tegen de gedachte dat het mét partner gemakkelijker zou zijn. Vooral door de omdraaiing: zonder partner is het dus moeilijker. Ik geloof daar helemaal niets van. Adri, een van de Zes, die zijn vriendin vanwege zijn drankmisbruik nota bene kort voor zijn opname was kwijtgeraakt, viel mij bij en zei: ‘Juist het feit dat ik het alleen moest doen, wierp mij volledig terug op de feiten. Ik voelde duidelijk: abstinentie bereik je hoe dan ook alleen.’

Mooi zo. Dit brengt ons tot de volgende stelling: een partner, daar heb je geen moer aan.

De terugkeer naar een gezinssituatie kan zelfs heel erg moeilijk zijn. In de Heinzekliniek had de Jellinek destijds nog de grote familie- en vriendenavonden, met onze hele groep erbij, met ex-cliënten erbij, het was altijd vrolijk. Een vrouw vertelde over haar verslaafde man, Piet!, hij zat toevallig naast mij. Een afgekickte zuipschuit. Maar nu, had hij gezegd, nu was alles weer normaal. Not. Zijn vrouw vertelde: ze zaten aan tafel, met de kinderen. Piet zei: jongens, dit jaar gaan we op vakantie naar Portugal! Er viel een diepe stilte… vooral bij de kinderen… jarenlang had hij dronken door het huis gezwabberd… alles plande het gezin allang alleen en zónder hem… hoezo werd het dit jaar Portugal? Hoezo, zelfs, ging hij opeens mee?

In bericht 28 – eigenwaarde schreef ik: ‘Een verslaving blijft beslist niet ongestraft.’ Daarmee bedoelde ik: de omgeving. De verslaafde raakt weliswaar veel kwijt – partner, baan, woning, gezondheid, hij kan terecht zeggen: ik ben zwaar gestraft – maar hij moet niet denken dat het daarbij blijft. Flinke dreunen staan hem nog te wachten, juist wanneer hij abstinent blijft.

De verslaafde kan dit uit de weg gaan door bijvoorbeeld gecontroleerd te gaan drinken. Piet misschien. Niemand neemt hem daarna nog serieus, niemand valt hem dan nog lastig.

Een ander sterk voorbeeld. Vanuit diezelfde Heinzekliniek ken ik nog steeds een lotgenoot, Hans. Een keer per jaar drinken we koffie. Via hem hoorde ik telkens wie van onze Heinzegroep was overleden. En hij deed het beter dan ik: een terugkeer naar de Jellinek, waar ik in december 2014 aan moest geloven, bleef hem bespaard. Inmiddels is hij grootvader, hij vertelde me dat hij onlangs met een mooi cadeau naar zijn kleinkind was gegaan, het was jarig. Maar juist die dag was zijn dochter kribbig tegen hem geweest, humeurig, er wás iets… eindelijk zei ze tegen hem: ‘Weet je nog, toen ik kind was, de keren dat je mijn verjaardag vergat?’

Tegen mij klaagde hij daarover: ‘Waarom moest zij dat nou in hemelsnaam oprakelen? Ik doe alles nu zo goed, al zo lang, ik vergeet nooit meer een verjaardag!’ Hm… in zekere zin ben ik misschien een atypische drankzuchtige: ik neem het altijd voor de omgeving op. Altijd. Als ik gedwongen word te kiezen, dan kies ik hun kant. Ik zei tegen hem: ‘Dat oprakelen wat zij deed, dat recht heeft zij! Volledig! Haal het niet in je hoofd om dat recht ook maar enigszins te betwisten. Jij was er niet, toen zij jarig was! En nu ben je er wel, voor haar kind. Waarom nu wel en toen niet? Die vraag stelt zij jou, voortdurend: waarom toen niet?! Wees liever blij dat zij een dergelijke pijn laat zien. En vertel haar hoe verschrikkelijk je dat vindt, het feit dat zij daar soms nog onder lijdt. Dat is het enige wat je voor haar kunt doen: lijd met haar mee.’

Een ander voorbeeld. Een jongeman, al bijna twee jaar nuchter, vertelde mij iets soortgelijks. Zijn moeder bezorgde hem een steeds ongemakkelijker gevoel. Zij leek te vinden dat hij nu klaar moest staan voor haar, haar iets verschuldigd was, zij had hem door zijn maanden in de Jellinek heen gesleept, en ook daarna nog volop gesteund. Dat erkende hij. Maar eigenlijk zette zij nu een machtig wapen tegen hem in: haar bezorgdheid… Wederom zei ik tegen hem: dat recht heeft zij. En die prijs betaal jij. Je kunt twee dingen doen: wachten tot het langzaam voorbijgaat, of dit onderwerp aansnijden met haar. Kortom: een erg moeilijk gesprek voeren. Zeg haar dat je het gevoel hebt dat zij jouw herwonnen zelfstandigheid niet ziet. Dat zij jouw herwonnen leven niet ziet. Zeg haar dat je dat begrijpt! Laat de gedachte die zij had – ‘mijn zoon sterft eerder dan ik’ – duizend keer op je inwerken. En daarna nog eens duizend. Laat haar gedachte – ‘wat hebben wij verkeerd gedaan?’ – duizend keer op je inwerken en dan nog eens. Dan begrijp je haar werkelijk. En zeg dat tegen haar!’

Mensen zeggen elkaar bijna niets.

Ten slotte, een laatste voorbeeld, nóg weer moeilijker, iemand anders. Een vrouw, drankzuchtig, zij voelde zich na twee nuchtere jaren sterk genoeg om te gaan daten, via Tinder. Werd verliefd op hem en hij op haar. Wat nu? Wat vertel je, hoeveel, en wanneer? Hier valt bijna geen zinnig woord over te zeggen, zelfs niet door mij. Tegen mij zei ze: ‘Ik kan hier alleen over praten met mensen die niet oordelen.’

Hm. Er zijn twee soorten mensen op aarde die ik direct als aanstellers bestempel: 1. mensen die zeggen niet bang te zijn voor de dood, en 2. mensen die zeggen: ik oordeel niet.

Alleen robots en zombies oordelen niet. Mensen wel, altijd, hoe zou het ook anders kunnen? Zij kan mij wél vragen: ‘Pitt, parkeer je principes even, luister nu naar mij, oordeel later, spreek dat nu niet uit.’ Dat kan allemaal. Dat kan ik doen. Maar zeg dat dan hardop. Zeg de dingen hardop!

Zij had hem voorlopig alleen verteld dat zij was ingestort toen zij twee jaar geleden haar geliefde en haar baan verloor, te veel was gaan drinken en de drank nu vaarwel had gezegd. Ik zei tegen haar: denk jij dat hij Gekke Henkie is? Dat hij niet aanvoelt dat drank er eerst was?

Maar het probleem was nog veel groter. Die partner, die haar inderdaad verlaten had, had heel lang niets geweten van haar drankmisbruik, haar verslaving. Het klinkt ongelooflijk, maar er zijn drankzuchtigen die dat weten te verbergen. Tegelijkertijd heeft een partner het vermogen om weg te kijken, wanneer dat juist niet moet, ook hij heeft daarna iets om over na te denken. Hoe dan ook: zo’n dubbelleven, hoe biecht je dat op? En wanneer? De ander denkt wellicht: dat kan zich herhalen. Zij drinkt straks weer, maar ik merk er niets van.

Ik had niet gedacht dat ik dit ooit zou schrijven, maar: ik weet het ook niet. Dan moet de tijd maar beslissen hoe dit afloopt. Maar de tijd beslist zo goed als altijd in ons nadeel.

U hebt nog iets tegoed. Want misschien zegt u: ‘Pitt, je maakte ons wel nieuwsgierig, met dat verhaal over The Eagles. Na hun concert, sloeg die ene toen die andere in elkaar?’

Nee, lezer, natuurlijk niet. Toen ik schreef dat je soms zo van mensen kunt houden, kende ik de afloop natuurlijk al. Die ene, die zo boos was, stormde na het laatste nummer zijn eigen kleedkamer binnen, pakte daar een van zijn gitaren en sloeg die tegen een muur aan stukken. Die ander, die daar van hoorde, zei: ‘Dat was wel de goedkoopste gitaar die hij had.’

Zie de mens…
en hou van hem.

Pitt

36 — de wegwijzer

Soms hebben de dingen wat tijd nodig… In mijn leven, bijvoorbeeld, duurde het even voordat ik begreep wat de Franse schrijver Marcel Proust († 1922, longontsteking, geen alcohol) bedoelde, toen hij schreef dat reclameboodschappen op precies dezelfde manier een uiting van onze cultuur zijn als de verzamelde werken van Shakespeare. Proust zegt: ‘Iets van ons zit overal in, alles is vruchtbaar, alles is gevaarlijk, in een zeepreclame kunnen we net zulke ontdekkingen doen als in de Hamlet van Shakespeare.’

Ik kom in deze weblog af en toe aanzetten met citaten van schrijvers, dichters en ook songwriters. De reden dat ik dit doe is simpelweg: wie naar een verslaving kijkt, moet daar op dezelfde manier naar kijken als naar het leven zelf. Zoals schrijvers dat doen. Hersengeleerden doen het weer anders: zij isoleren een verslaving en turen er dan eindeloos naar, net zolang tot zowel zijzelf als de verslaafden een ons wegen. Terwijl het bij mij juist een onsje meer mag zijn, regelrecht tot aan het gewicht van een volwassene.

Stel dat een lezer mij vraagt:
‘Pitt, ik drink te veel, welke kliniek zou je mij aanraden?’
Ik denk dat ik zou zeggen:
‘De dichtstbijzijndste.’

Ook al vind ik dit wel een eigenaardig woord, want van de achttien letters heeft het maar vier klinkers.

De reclameboodschap boven dit bericht werd mij toegestuurd door een van de Zes, de goede MiK. Bij een klein overdekt winkelcentrum in Almere zag hij opeens zijn voormalige kliniek voorbijkomen, op een roterend reclamebord. De Jellinek verscheen als derde, na Autototaalglas (voor alle pechvogels, met daaronder de uitroep: autototaalglas helpt) en de Aldi met wijn en kaas (dat gaat goed samen, met daaronder de uitroep: Natuurlijk Aldi!).

Laten we Marcel Proust eer bewijzen en deze Jellinekreclame eens onder de loep nemen, wat zegt deze boodschap ons, wat laat hij zien, over de Jellinek, over onszelf, over de verslavingszorg in Nederland, over de zorg in het algemeen. Want deze reclame geeft aanleiding om er het een en ander over te zeggen. En geeft aanleiding om er het een en ander op af te dingen.

Het brein achter deze reclamecampagne is zakelijk directeur Jasper ten Dam, hij vormt een vast onderdeel van het dappere directieduo Jasper & Wencke. We kennen in Nederland wel meer van dit soort fameuze duo’s, ik denk aan Gert & Hermien, en natuurlijk ook Peppie & Kokkie. Ik hoor u al roepen: Kabouter Plop!, maar die is in zijn eentje, hij is louter kabouter.

Het beeld

De reclame toont de kijker een aantal gezichten, zo op het oog doodgewone mensen. Wel meer bedrijven doen dit, zij accentueren de ‘gewone Nederlander’, die hun producten koopt, dus u ook. Echter, in dit geval zijn deze mensen helemaal niet zo gewoon, het zijn verslaafden. Alleen, dat zijn ze helemaal niet, het zijn betaalde krachten van een modellenbureau. Commerciële bedrijven deden dit altijd al: ons iets tonen wat onecht is. Niet waarachtig. Dat noemen we, heel netjes gezegd: verleidingstechniek. De Jellinek doet dat nu ook. Hoewel, die kerel linksonder, met die rare zonnebril, die doet toch wel denken aan zo’n draaideurfiguur, iemand die in de Obrechtstraat de deur platloopt. En trouwens: waarom hééft de Jellinek eigenlijk een draaideur? Dat brengt verslaafden alleen maar op rare ideeën.

De wat oudere heer rechtsboven in beeld doet mij aan iemand denken. Maar aan wie toch? Misschien moet ik de directie van de Jellinek dat eens vragen: wie is dat? Misschien weten zij het ook niet… wat weten wij nu eigenlijk, wij mensen?

De tekst

Met mijn verslaving ga ik naar Jellinek. Vijf dingen vallen hier erg op.

Een. Het gebruik van het woord ‘verslaving’. Een groot aantal Nederlanders drinkt te veel, maar die noemen we echt niet verslaafd, niet zoals ík dat was, niet zoals de Zes dat waren. Het risico om verslaafd te raken, lopen deze mensen echter wel degelijk, dus kijk uit, het kan verstandig zijn om naar de Jellinek te gaan. Misschien voor ambulante hulp, dat zijn gewoon gesprekken. Wacht niet totdat u eindelijk verslaafd bént! Dat suggereert de tekst echter wel.

Twee. Het gebruik van het woord Jellinek. Waarom moet u zo nodig naar de Jellinek? Wat is daar zo goed aan? Waarom niet naar een andere kliniek? Een verantwoorde tekst zou zijn geweest: met mijn verslaving zoek ik hulp. Of veel beter nog: ik drink te veel, ik zoek hulp. Wil je het breder trekken, dan: mijn gebruik loopt uit de hand, ik zoek hulp.

DrieMet mijn verslaving ga ik naar Jellinek. Jellinek zonder het lidwoord ‘de’. Taalkundig is dit correct – het is ‘de Spar’, maar bij eigennamen schrijven we niet ‘de Albert Heijn’ – maar heel Nederland kende deze kliniek als de Jellinek. Inmiddels vindt men het kaalgeschoren ‘Jellinek’ veel beter bekken, veel moderner. In mijn ogen is dit een symbolisch afscheid, van een roemrucht en belangrijk verleden. De Jellinek is dood, leve Jellinek. De draaideur draait, hij sluit af en opent tegelijk.

Vier. Links onderaan de reclame staat: Nu ook in Almere! Dat klinkt heel erg als: nu ook in de supermarkt! Of: nu ook in voordeelfles!

Vijf. Het volstrekt schaamteloze van een dergelijke tekst. Met mijn verslaving ga ik naar Jellinek. ‘Dé expert op het gebied van verslaving’, schreeuwt de tekst eronder u ook nog in het gezicht. Ik denk dat u heel erg zou schrikken wanneer u in een klein overdekt winkelcentrum tegen een soortgelijke boodschap zou aanlopen: ‘Met mijn longkanker ga ik naar Leeuwenhoek. Dé expert op het gebied van kanker.’ Misschien roept u nu verontwaardigd: ‘Pitt!, dat is geen vergelijking! Want longkanker is afschuwelijk en dodelijk!’ O? En een verslaving is dat niet? Denkt u dat werkelijk?

De dood van Ruben, waar ik in bericht 34 – Ondine’s vloek over schreef, is nog maar het begin. Hij is de eerste. Toen ik ervan hoorde, dacht ik: oké, daar gaan we, nog eens. Ik zat soms te denken, tijdens mijn laatste opname, wanneer ik de groep rondkeek: ‘Over vijf jaar is een deel van jullie dood, binnen tien jaar is meer dan de helft van jullie weggevaagd.’ Want zo ging het twintig jaar geleden in de Heinzekliniek, de een na de ander ging daarna ten onder. Dit zijn geen cijfers van een kliniek, het zijn mijn cijfers. Het was mijn groep… maandenlang… het waren mijn mensen.

Ditmaal deed ik het beter: ik deed mijn uiterste best om de Zes bij elkaar te krijgen. En bij elkaar te houden.

Elke reclame-uiting zegt maar één ding: ga niet naar de concurrent, kom naar ons. De Jellinek zegt: wij zijn dé expert! Pardon? Zijn jullie dat? Of wáren jullie dat? Weet u nog, lezer, dat ik directeur Wencke de Wildt de Zes aanbood, in bericht 27 — heliocentrisch? Nu bijna vijf maanden geleden? Zes ex-cliënten, stevige kerels, die in het gebouw langs wilden komen om cliënten te vertellen hoe het met hen gegaan is. Zes mannen, door snijdende kou en de sneeuw, door weer, wind en regen, en in de lente, in de zomer, en later, wanneer de herfstbladeren vallen, op weg naar de Jellinek, om hun lotgenoten de helpende hand te reiken. Reageerde Wencke daar op? Nee, natuurlijk niet, we hoorden helemaal niks. Ex-cliënten komen allang niet meer in het gebouw. Cliënten interesseren haar bitter weinig, betrokkenheid nul. Vandaar de reclame. Want niet wat de Jellinek aanbiedt doet er nog toe, maar hoeveel cliënten de Jellinek binnenhaalt doet ertoe. Het gaat de Jellinek er niet meer om dat u hulp zoekt, het gaat erom dat u die bij hen zoekt.

Als Jasper ballen had, zette hij op zijn billboard: Aanbieding! Tijdens behandeling in Jellinek zijn maar liefst DRIE uitglijders toegestaan!!  

De Jellinek gaat deze reclameborden ook nog massaal in Utrecht neerpoten, want ook daar hebben ze sinds kort een vestiging. Wie betaalt al die borden eigenlijk? Dat betaalt het Amsterdamse GGZ Arkin, waar de Jellinek onder valt. Wie betaalt Arkin eigenlijk? Dat doen de zorgverzekeraars. Wie betaalt de verzekeraars? Dat doen wij… het is niet te geloven, maar wij betalen allemaal mee aan de speeltjes van Jasper.

Iedere verslaafde vindt echt zijn weg wel naar een kliniek. Via de huisarts. Via internet. Via familie, vrienden, kennissen. En vooral: via zichzelf. Hij gaat wanneer hij daar aan toe is, geen dag eerder. Leer mij een verslaafde kennen. Of nee, doe maar niet. Ik ken ze al.

Wij hebben nog steeds het idee, althans ik heb dat, dat een zorginstelling iets anders is dan een commercieel bedrijf. Die tijd lijkt voorbij. Dat komt vooral door top-down management. Wencke & Jasper, plus nog een emmer vol managers, bepalen alles. Ik hoop dat ook díe tijd nog eens voorbij gaat. Want laat ik hier één ding zeggen, ik stipte het al eens aan in bericht 14 – de muze. Een antwoord op de vraag: als het allemaal zo waardeloos is in de Jellinek, hoe kan het dan eigenlijk dat de Jellinek ook ditmaal mijn leven redde? Hoe kan het dat ik via deze kliniek voor de tweede keer in mijn leven aan mijn verslaving ontsnapte? Twintig jaar geleden lukte mij dat in de Obrechtstraat ook, toen alles zo heel anders was, zo veel meer volwassen, er moet dan toch iets zijn dat nog hetzelfde is, iets waar geen enkele directie aan kan tornen? Iets wat zij niet kaal kán slaan? Niet kán afbreken? Dat is er ook, lezer. Daarom moet ook ú zich nog steeds aanmelden. Ik zal u zeggen wat het is.

Het zijn de behandelaars.     

Iemand wees mij er op dat ik het begrip ‘behandelaar’ in mijn blog verkeerd gebruik. Daarmee wordt in de Jellinek bedoeld: de psychologen. Maar psychologen noem ik psychologen, ik ben een beetje raar in die dingen. Tijdens mijn behandeling zag ik regelmatig een psycholoog, in een sessie van drie kwartier. Die sessies doen echt wel wat, maar zij trekken mij niet een verslaving uit. Voor mensen als ik is een verslaving domweg te groot, te krachtig, te zwaar. Ook het positief denken, de cognitieve gedragstherapie, waar Wencke mee opstaat en mee naar bed gaat, is op geen enkele manier in staat om mij eruit te tillen. Want je maakt er in de kliniek alleen maar kennis mee, je hoort er allerlei dingen over, daarna weet je dat het bestaat, maar het wordt niet als training aangeboden. Ik weet niet eens of je de CGT kúnt trainen. Het schijnt te kunnen door middel van computerprogramma’s, maar ik heb geen idee.

Wanneer ik over behandelaars praat, dan spreek ik over de mensen die mij dagelijks meemaakten. De veldwerkers. Plat populair gezegd: die met hun poten in de modder staan. Met wie wij in de ochtend de dag openden en de dag in de namiddag weer afsloten. Die er tijdens de verschillende modules altijd waren. Die er tijdens de nazorg altijd waren. Meestal zijn behandelaars SPH’ers, Sociaal Pedagogische Hulpverlening. Soms zijn het verpleegkundigen-B. Zet die mensen maar eens met hun gezicht op je billboards, Jasper. Dan hoor je meteen hun naam een keer.

Hoe kan het dat hun invloed zo groot is? Zij staan immers onderaan de ladder, in salaris. Als ík een kliniek had zou dat wel anders zijn. Ik hoorde dat een psycholoog bij de Jellinek anderhalf keer zoveel verdient als zij. Wat een arts daar verdient wil ik dan niet eens weten. Laat staan wat de managers verdienen. Laat staan wat Jasper & Wencke verdienen. Hun baas, Jeroen Muller, runt Arkin voor drie ton per jaar. Men zegt dat hij hard werkt. Mark Rutte runt heel Nederland voor € 157.287 per jaar, inclusief vakantiegeld en eindejaarsuitkering. Men zegt dat hij nóg harder werkt.

Dus hoe kan het dat de invloed van behandelaars zo verschrikkelijk groot was?

Een. Doordat zij mij voortdurend zagen. Martin en Reyna zagen mij een jaar lang, elke week, in de nazorg. Tijdens de dagbehandeling kwam ik Cynthia overal tegen, zij leidde niet alleen mijn groep, maar deed ook de modules ‘sociale vaardigheid’ en ‘structuur’. En misschien nog duizend andere dingen. Samen met Dolly deed ze ‘analyse & motivatie’, hetgeen natuurlijk neerkwam op 20 procent motivatie en 80 procent terugvalgeouwehoer. Niet haar schuld. Dat alles deed ze terwijl ze zwanger was. Behandelaars zijn stevige mensen, écht stevig. Ik houd heel erg van mensen die stevig kunnen zijn.

Twee. Zij zagen mij voortdurend in een groep… wil je iemand werkelijk leren kennen en doorgronden, kijk dan hoe hij zich in een groep gedraagt. Daar kan hij zich niet verbergen, niet achter woorden, en probeert hij dat tóch, dan zie je dat. Met verslaafden moet je helemaal niet willen praten, er komt toch geen verstandig woord uit, je moet alleen maar naar ze kijken. Verslaafden snakken slechts naar één ding, waar elk mens naar verlangt: gezien worden. Maar dan moeten behandelaars dat wel kunnen… Annette kon dat, Tamara, en Martin, en Reyna, en Dolly, en Cynthia. Hans West kon dat trouwens ook.

Alle behandelaars dachten heel anders over een verslaving dan ik, maar dat deed er niet toe. Dat mág er ook niet toe doen. Ik ging nooit met hen in discussie, ik vroeg maar één ding: ‘Ik kan dit niet alleen, help mij…’

Dat deden ze.

Pitt

35 — de verbanning

Er was een tijd, lezer, dat de mensen dachten dat verslaafden bezeten waren. Slachtoffer van een boze geest. Geen onlogische gedachte, het verklaarde inderdaad alles. Nu lachen we daar om. En nú is de tijd dat de mensen denken: verslaafden zijn chronisch ziek. Precies hetzelfde, alleen ditmaal slachtoffer van een ziekte. Verklaart ook alles. En zo sukkelen de mensen voort en ploeteren zij verder. Maar wat is een verslaving dan wél?

Laten we, om die vraag te kunnen beantwoorden, eens een ogenblik stilstaan en luisteren naar de woorden van een erkende verslavingsdeskundige, schrijver van 35 internationaal erkende verslavingsberichten, Pitt Hamson is de naam. Goeie ouwe Pitt.

Enkele jaren geleden hoorde ik dat de Duitse schrijver Bernhard Schlink in cultureel centrum Felix Merites geïnterviewd zou worden door de Nederlandse schrijver Geert Mak. Deze Schlink kende ik van zijn boek Der Vorleser en ik was nieuwsgierig naar de man die het geschreven had. Ik begon te bellen. Eerst naar vrienden, toen naar kennissen, overal ving ik bot, niemand kon of wilde mee. Opeens drong tot me door: ik dreigde het hele interview mis te lopen. Als ik niemand zou vinden, dan ging ik zelf ook niet. Meer dan dit besef had ik niet nodig, ik besloot: nooit meer in mijn leven laat ik het van een ander afhangen of ik uitga of niet, nooit ofte nimmer meer. Die avond ging ik alleen. Eerlijk gezegd voelt dat eigenlijk wel apart, om ergens alleen te zijn, op jezelf aangewezen. Om eens wat om je heen te kijken. Om te denken: hoe zit dat hier?

Misschien had ik dit 35e bericht niet geschreven als ik die avond thuisgebleven was. In ieder geval niet met deze titel erboven en niet met die afbeelding erbij. Want Bernhard Schlink zei die avond heel terloops iets wat mij aan denken zette, over de kern en het wezen van een verslaving, ook al ging het gesprek over een heel ander, geschiedkundig onderwerp. Eigenlijk was dit een typisch voorbeeld van het verschijnsel ‘serendipiteit’. Je zoekt iets en tijdens die zoektocht stuit je op iets heel anders. Zou je het één niet hebben gezocht, je zou het ander niet hebben gevonden.

Zoals Der Vorleser dat ook doet, ging het gesprek met Geert Mak over Duitsland en de oorlog, over het Duitse volk. Ter sprake kwam daardoor ook de terreur die de RAF eind jaren zestig in Duitsland uitoefende, de aanslagen van de Rote Armee Fraktion. Wat sommige moslims nú doen, deden sommige Duitsers toen zelf. Mak vroeg: ‘Wat bezielde die mensen eigenlijk? Waarom deden ze dat?’ Waarschijnlijk had hij genoegen genomen met het antwoord: ‘Die mensen waren ziek.’ Of met het antwoord: ‘Die mensen waren bezeten.’ Maar dat zei Bernhard Schlink helemaal niet, hij zei iets heel anders. Hij zei: ‘Nou ja, we zijn allemaal bannelingen, nietwaar, en sommigen voelen dat sterker dan anderen.’

Pats. Ik stond ervan te kijken, zo rustig, zo terloops. We zijn allemaal bannelingen, nietwaar. Iedereen lijdt daaronder, maar sommigen meer dan anderen. Hij voegde eraan toe: of je het Oude Testament nu letterlijk neemt of het verwerpt, verbannen voelen we ons allemaal. We horen hier niet.

Halverwege de nazorg in de Jellinek gebeurde er iets heel vreemds, wat ik nog altijd niet kan verklaren. Er gebeurt in het gebouw trouwens altijd iets heel vreemds, alleen daarom al moet u zich toch echt bij een kliniek aanmelden, je weet niet wat je meemaakt. We waren die avond in ons nazorggroepje met zeven man, en één GL, Martin, de gespreksleider. Zijn collega Reyna was tijdelijk opgestegen en weggevlogen, naar hogere sferen. Aan het woord was cannabisverslaafde Frey. Hij sprak over geluksmomenten, die cannabis hem bezorgde, dat hij die nu erg miste. Tot mijn stomme verbazing was er aanvankelijk niemand die begreep waar hij het over had! Ik vroeg aan de groep: ‘Zijn jullie dan per ongeluk verslaafd geworden? Zaten jullie gewoon even niet op te letten?’

Een jaar geleden begon ik deze weblog en schreef ik de beginpagina van zesmaal.nl. Daarin sprak ik over ‘onechte paradijzen’ en over ‘droomland’ en ik vertelde u dat een verslaving neerkomt op nep en bedrog. Je wordt belazerd waar je bij staat. Je kunt drinken wat je wilt, maar telkens weer kom je bedrogen uit. Bij die woorden voelde ik ietwat nattigheid, maar ik liet het maar zo, voorlopig. In bericht 7mooie mensen haalde ik een van die woorden terug: droomland. Maar nu plaatste ik het in een heel andere context, een man, aan de bar, hij is alleen, hij drinkt. Ik liet doorschemeren: voel geen medelijden met hem, hij is ergens, waar jij niet bent.

De nattigheid die ik voelde bij het schrijven van de beginpagina, werd veroorzaakt doordat ik om één ding niet heen kon. Namelijk: een onecht paradijs is in vergelijking met het echte paradijs nog altijd second best.

Noem het een genetische weeffout, noem het wat je wilt, maar drankzuchtigen hebben een sleutel in handen gekregen, die zij niet hadden mogen hebben. Domweg omdat de mens daar niet op gebouwd is. Zij hebben toegang tot een plaats waar zij niet mogen komen. Waar zij, normaal gesproken, ook helemaal niet kunnen komen. Een plek van puur en onaards geluk. Niet-verslaafden beschrijven geluk vaak als een flits, heel even voel je het, opeens stroomt het diep door je heen, een fractie van een seconde. En dan is het weer weg. En wat nu, als je dat gevoel kunt vasthouden? Wat dan? Dit brengt ons tot de volgende stelling, tot de kern van alles, het enige wat hout snijdt:

Een verslaving is de meest natuurlijke reactie van de mens op het feit dat hij bestaat. Een verslaafde zet de tijd stil. Dat is wat hij doet…

Daarom zeg ik, tegen alle hersengeleerden hier op aarde: ga rustig door, onderzoek ons eindeloos, creëer de nieuwste inzichten, kom weer eens met een nieuw medicijn, een nieuwe behandeling, noem ons ziek, schuif ons een persoonlijkheidsstoornis in onze schoenen, noem ons psychiatrisch, noem elke verslaving zelfmedicatie, vertrouw blind op je Cognitieve Gedragstherapie, experimenteer naar hartenlust met je gecontroleerd drinken – iedereen moet nu eenmaal iets te doen hebben in zijn leven – maar zolang je dit niet begrijpt, zolang je geen enkele weet hebt van deze sleutel, precies zó lang begrijp je er niets van. En hoe zou je ook kúnnen? Zoals ik hierboven beschreef, hebben ook verslaafden zelf hier nauwelijks weet van. Van gesprekken met verslaafden word je dan ook niet veel wijzer. Frey wist het wél. En ik ook.

En dan? Wanneer je die sleutel eenmaal hebt? Nou ja, wat er dán gebeurt, dat is vrij eenvoudig.

In het boek De ontdekking van de hemel van Harry Mulisch staat Max – een van de hoofdpersonen, een sterrenkundige – op het punt de precieze locatie van de hemel te ontdekken, het paradijs. Engelen houden hem al enige tijd in de gaten. Op een avond staat hij weer eens door zijn radiotelescoop te koekeloeren, in Drenthe, en opeens heeft hij het… de exacte locatie van de hemel… precies op dat moment raast in dolle vaart een meteoriet naar beneden… zijn baan leidt naar Nederland, naar Drenthe, naar de plek van het observatorium… en verpulvert met een geweldige klap de gehele sterrenwacht, met alles en iedereen erbij.

De verslaafde die niet van zijn middel kan afblijven, die zijn sleutel blijft gebruiken, wordt niet ogenblikkelijk verpulverd, maar wordt getrakteerd op een reisje naar de hel. Ziet hij die ook eens, van binnen. Het is de prijs die hij betaalt. Lange tijd is dat niet een enkele reis, retourtjes krijgt hij, telkens keert hij weer terug. En telkens vertrekt hij weer.

De zwaarte van ons bestaan, het feit dat we ons bewust zijn van onze sterfelijkheid, het tranendal waar we doorheen moeten, de onmogelijkheid om dat op te lossen, de blije momenten waar we ons aan vastklampen, de mooie dingen van ons leven, de mensen om ons heen, de flitsen van geluk, daar moeten we het mee doen. De hele wereld doet het daarmee! De verslaafde zal dat pas lukken na ten minste een vol jaar abstinentie. Eerst drie maanden, met behulp van een kliniek die daarin gelooft, en dan de volgende negen alleen. Zo deden de Zes het. En het gaat goed met ons, nu al twee jaar lang. Die sleutel hebben we nog steeds; we gebruiken hem niet meer.

Het wondermooie boekje De uitvreter, van onze eigen Nescio, laat ook nog ándere manieren zien om te ontsnappen aan de condition humaine, aan ons mens-zijn, met alles wat daarbij hoort. Drie manieren, om precies te zijn. Hij is de schrijver van de zin: ‘Jongens waren we, maar aardige jongens.’ Jawel, maar daarmee red je het nog niet.

In De uitvreter beschrijft Nescio hoe deze jongemannen elkaar ontmoeten, vriendschap sluiten, en hoe het met hen afloopt. Bavink, de kunstschilder, wordt gek, hij eindigt in een gesticht. Dat is één manier, gek worden. Je kunt daar nauwelijks voor kiezen, je kunt er wél voor kiezen om dat niet tegen te houden. Koekebakker, de ik-persoon in het boek, ontdoet zich van al zijn idealen via een kantoorbaan, hij vlucht het burgermansbestaan in. Dat is de tweede manier. En Japi, ach, de onvergetelijke heerlijke Japi – die in het verhaal de uitvreter is – hij maakt een eind aan zijn leven. De derde manier. Hun vriendschap is voorbij. Want alles gaat voorbij.

Ziezoo. Godverdomme (6x).

Japi’s dood was onvermijdelijk. Nooit zag ik een zelfmoord zó mooi beschreven worden, in zo een kleine schoonheid, waardoor je onwillekeurig denkt: het kon ook niet anders. Gelukkig zijn wij Japi niet, u niet en ik niet.

Pitt

34 — Ondine’s vloek

Nog in het oude jaar, enkele dagen voor de kerst, overleed lotgenoot Ruben, 51 jaar. Drankzuchtig, ik leerde hem kennen in de Jellinek. Je zou hem welbespraakt kunnen noemen, en intelligent, en misschien was hij dat ook, maar meer nog dan dat vond ik hem verward. Wanneer hij sprak, klonk hij als een man in de war. Eenzaam en ellendig stierf hij. Het komt maar zelden voor dat een verslaafde sterft in de armen van iemand, of zelfs maar in de buurt van iemand, meestal zoekt de dood hem thuis op, waar hij alleen is, en bijna altijd in de nacht. Die nacht had de drankzuchtige niet naar bed moeten gaan, niet in slaap mogen vallen, omdat hij die nacht bloed of braaksel moest overgeven, in plaats van het in te ademen en erin te stikken.

Het is mijzelf een enkele keer overkomen dat ik om die reden inderdaad een nacht lang op bleef, ik vertrouwde het opeens niet, voor geen cent. Alsof ik hoorde:

Geh nicht in die Stadt
Geh nicht in die Stadt, heut’ nacht.

Waarbij die Stadt staat voor wat je maar wilt, maar in ieder geval: ga daar vannacht niet heen. Juist een verslaafde kan het zich niet permitteren om de stem van zijn intuïtie te negeren. En zéker geldt dat wanneer hij eindelijk abstinent wil worden, zonder je intuïtie kom je nauwelijks bij abstinentie in de buurt. In mijn eerste droge jaar, dat vanzelfsprekend een moeilijk jaar was – de tijd van erop of eronder – had ik aan mijn verstand en gevoel zo goed als niets. Daar sta je behoorlijk van te kijken, maar gelukkig is die derde er ook nog, de menselijke intuïtie. Het enige waarop je in die omstandigheden blind kunt vertrouwen. Hoor je zeggen: ‘doe dit niet’, dan doe je dat niet, wát het ook is. Het mooie aan intuïtie is vooral: je kunt er niet mee in discussie! Het geeft iets aan je door en bemoeit zich er verder niet mee.

Mijn relatie met Ruben bestond er uit dat hij een tijdje deel uitmaakte van mijn groep in de nazorg van de Jellinek. De groep waaruit later de Zes tevoorschijn zouden komen. De nazorg was aan hem nauwelijks besteed, op een avond meldde hij dat hij naar de film was gegaan, een ochtendvoorstelling, de film Cobain: Montage of Heck, de deels getekende documentaire over de ondergang van Kurt Cobain. Daar keek hij naar, in gezelschap van een fles wodka. Juist die combinatie, déze film en de fles, onderstreept nog eens wat ik in bericht 7 – mooie mensen beweerde, namelijk: verslaafden zijn aanstellers. Echte drama queens. Drugsverslaafden meer dan alcoholisten, maar uiteindelijk zijn ze het allemaal. Natuurlijk gold dat ook voor mij toen ik nog dronk. Met flink wat moeite was hij na de film weer thuisgekomen, vertelde hij ons nog. Einde bericht, klaar. De volgende cliënt kreeg het woord. Niemand schrikt erg van een terugval in deze kliniek, niet zoals je zou verwachten, terugvallen zijn er helemaal bij gaan horen, dat is nu al ruim tien jaar lang zo. Ze maken deel uit van het gewone bestaan, ironisch genoeg van zowel het bestaan van de cliënt als de behandelaar. Tot de nacht komt. En de ironie zijn kleur verliest, de werkelijkheid haar plaats krijgt, en de stad een verslaafde minder telt.

In het familiebericht omschreef de vader Ruben als zijn ‘verdwaalde’ zoon. Daarmee drukte deze vader zich zorgvuldig uit. Ook op mij maakte hij een diep verdwaalde indruk. Niet iemand die je zomaar de weg had kunnen wijzen. Zou een behandelaar in de kliniek over een dergelijk familielid noteren: ‘Zijn ziekte heeft hem geveld.’ Dat denk ik niet, ook al is dat wel degelijk wat zij geloven. Maar de teksten in dergelijke advertenties bestaan uit woorden die je niet meer terug kunt nemen, ze staan er, in feite voor de eeuwigheid. De dode krijgt ze mee. Voordat je ze opschrijft, moet je dus wel weten wat je zegt. Was hij ziek, was hij verdwaald? Wat was hij nu eigenlijk?

Een laatste woord daarover.

Ook bij de Zes zijn er die verslaving als ziekte opvatten. Een van ons zegt: ‘Ik ben wel verantwoordelijk, maar niet schuldig.’ Dat klinkt mooi, maar zoals therapeut Hans West in zijn uitgebreide commentaar op bericht no. 19 –moderne inzichten opmerkte, toen hij en ik nog niet mijlenver uit elkaar gedreven waren: ‘Nou ja, misschien zijn het ook maar allemaal woorden.’ In principe is dit de eerste denkfout: te denken dat het slechts woorden zijn. Niets bestaat slechts uit woorden! En bovendien schreef ik al eens: verslaafden gaan net zo vreemd met woorden om als met hun middel. Ze gaan ermee aan de haal. Een praktijkvoorbeeld, van hoe dat dan gaat. In de nazorg vertelde behandelaar Reyna ons een keer het volgende.

Zij deed eigenlijk helemaal geen groepen, zij deed voornamelijk ambulante gesprekken, een-op-een. Om eens te kijken hoe het zit allemaal. Die gesprekken zou ik alle weifelende gebruikers heel erg aanraden en wie juist háár treft heeft dan veel beginnersgeluk. Over een van die gesprekken vertelde zij ons op een avond iets, hetgeen ik erg waardeerde, hoe klein het ook was. Een behandelaar die af en toe laat zien wat haar werk met haar doet.

(Het laat overigens óók zien hoe vertrouwd onze nazorggroep geworden was, want die ruimte hád zij ook. Nu is dat allemaal weg, de nazorg is professioneel aan flarden gehakt, met dank aan het dappere directieduo Wencke de W. & Jasper ten D. Ikzelf was nog net op tijd, maar u, lezer, voor een échte nazorg komt u helaas te laat. Hun argument? Zoals zo vaak: zorgverzekeraars, inkoopbeleid. Over ruim een maand ga ik hier eens echt diep op in.)

Reyna vertelde over een man, haar cliënt, die ’s middags nog voor haar zat. Huilend had hij daar gezeten, vanwege een zware terugval. Dat liet ook haar niet onberoerd. Ik zag dit beeld voor me en natuurlijk is het aangrijpend, ook voor haar, want alles in het gebouw draait om leven en dood. Zo’n terugval kan het verschil daartussen zijn. Totdat zij erbij vertelde: ‘Hij snikte: het is een ziekte, het is een ziekte…’ Daarmee stortte dat hele beeld voor mij in. Niets bleef er van over. Nú zag ik een volwassen man, die als een kind zat te huilen omdat zijn ‘ziekte’ hem dingen liet doen die hij helemaal niet wilde doen. Graag wilde hij abstinent zijn, ach wat zou dat heerlijk wezen, ook voor zijn vrouw en kinderen, maar ja, zijn ziekte hè. Gooide roet in het eten. Dit had ik al veel vaker in het gebouw gehoord, en nu weer. Het begint ermee dat de verslaafde zich overgeeft aan zijn middel, net als ik, het eindigt ermee dat hij zich overgeeft aan zijn chronische ziekte, waarbij ik meteen afhaak. Ik had er schoon genoeg van. Niemand wijst hem op het krankzinnige hiervan. Hoort dan geen enkele behandelaar wat ik hoor? Niet één? Is er helemaal niemand die het hoort!?

Natuurlijk is er een reden dat niemand iets lijkt te horen. Wanneer verslaving een ziekte is, dan kunnen behandelaars en buitenwereld de verslaafde eindelijk serieus nemen.

En waarom kun je dat niet wanneer het géén ziekte is?

Lezer, nu verbaas ik mezelf: wat is dit een goede vraag! Waarom dán wel, en anders niet? Als het geen ziekte is, is Ruben dan opeens schijndood? Of was hij dán alleen maar zwak? Een nietsnut? Nee, Ruben was verslaafd. En dat kostte hem zijn leven.

Ik aarzel nu. Zal ik doorgaan en uiteenzetten waarom ik mijn leven lang verslaving niet heb opgevat als ziekte? En hoe dan wél? Nou ja, mijn leven lang, nu niet overdrijven Pitt: vanaf mijn veertiende. Na mijn eerste glas. Want zo een ben ík er. Er zijn er ook die er veel langer over doen, maar over hen denk ik hetzelfde: wij zijn niet ziek. Was dat maar wél zo! Dan zou ik tegen een arts zeggen: ‘Hee joh, jij daar, met die witte jas, bedenk eens even iets, ertegen.’ Zij doen allang hun best, hoor, maar vinden niets. Je vindt geen middel tegen een niet bestaande ziekte. Besteed je tijd aan iets beters. Zorg er bijvoorbeeld voor dat klinieken weer een volwassen behandeling aanbieden in plaats van dat slappe gedoe van nu.

Nee, ik schuif het door. De enige concessie die ik aan de lezer doe, is letten op de lengte van een bericht. Bovendien wil ik positief en opgeruimd eindigen, ik weet eigenlijk niet waarom, maar ik probeer dat telkens. Misschien hoort het domweg bij een weblog als deze. Ik denk weleens: stel dat ik terug zou gaan, de fles in. En stel dat ik dat hier weliswaar keurig opbiecht, maar dat ik toch gewoon doorga met schrijven. U hebt geen idee hoezeer u zou schrikken! Eigenlijk zou dat dus heel goed zijn, en ook ouders zouden tegen hun kinderen kunnen zeggen: ‘Als jij niet oppast, word jij net als Pitt Hamson! Hier, lees maar!’ Een keer dwong een Duitse geliefde mij om een stomdronken geschreven brief aan haar terug te lezen, in haar bijzijn. Het begon nog vrij normaal, als een liefdesbrief, ik las onder meer:

Wo ich auch bin, was ich auch tu’
Ich hab’ nur ein Ziel
Und… dieses Ziel, bist du!

Dit ging nog enigszins, hoewel toch al knap infantiel. En gepikt. Maar gaandeweg veranderde er iets in de brief, eerst qua toon, daarna qua inhoud, de tekst ging bijna ongemerkt en naadloos over in een ordinaire scheldpartij. In héél het Harzgebergte, schreef ik haar, vindt men nergens zo een heks als jij! Dan moet je wel héél erg goed zoeken!

Daarom ben ik de eerste die zal zeggen: een verslaafde die zijn middel gebruikt, die is zo ziek als wat. Lichaam en geest, door en door verziekt en flink gestoord. Dat kan ook niet anders, met zo veel gif zo lang naar binnen. Daar moet je echt van bijkomen, volledig van zien te herstellen en dat kost je wel een maand of drie. Tijdens die drie maanden gooit een terugval je een eind terug in de tijd. Daarom bestaan er geen ‘uitglijders’, want ook die doen hun werk, zij houden je vast.

En ach, de liefde. En ach, Ondine…

Ondine’s vloek is de haast romantische benaming van een werkelijke ziekte, een zeldzame maar ernstige aandoening. Het zogeheten centraal hypoventilatiesyndroom. Maar hoe kan een ziekte nu zo’n fraaie naam krijgen, en wie was zij dan weer, die Ondine? En wat heeft dat met deze blog te maken? Nou ja, dat zit zo. Lang geleden was er een ridder… en die kreeg het in zijn domme kop om eens even met de mind van een waternimf te fucken! Terwijl iedereen weet dat je met een gewone vrouw al moet uitkijken. Ondine, zo luidde de naam van dit edele rivierenschepsel. Maar hoe dan ook, hij had een soort verkering met haar en was haar ontrouw geweest. Veel mannen zijn nu eenmaal zo. Veel vrouwen trouwens ook, maar van een ridder zou je zoiets toch niet verwachten, in elk geval ik niet. Zij pikte het dan ook niet. En zoals dat gaat met watergeesten, zij vervloekte hem. Diep en grondig, haar vloek was niet mals. De ridder kon niet langer normaal ademhalen, dat ging niet meer vanzelf, zijn lichaam ademde niet automatisch, niet langer autonoom. Elke teug lucht moest hij bewust inademen en ook weer uitademen. Hij kon dus ook niet meer slapen… dan zou hij stikken.

Geh nicht in die Stadt

Verslaafden die abstinent zijn geworden, overkomt precies hetzelfde als deze onfortuinlijke ridder. Zij kunnen niet zomaar meer automatisch van het leven genieten, zij moeten zich van elk plezier eerst bewust worden. Zij moeten het eerst zien. Ik huiverde toen Frey, een cannabisverslaafde, in de nazorg vertelde dat hij zonder zijn middel niet meer van zijn kinderen kon genieten… Dát is Ondine’s vloek, hij moet zich dat genot eerst diep bewust worden, het komt niet meer vanzelf naar hem toe.

En zoals wel vaker bij een vloek, bevat ook deze een zegen. Want hoeveel mensen zien hun kinderen als het ware voor de tweede keer in hun leven? Of hun stad? Hoeveel mensen ervaren het plezier in hun omgeving als nieuw? De zegen is: nieuw genot voel je weer intens. Zoals Griet Op de Beeck het verwoordde: ‘Mensen die van ver komen, kunnen zo enorm genieten van klein plezier.’

Waarvan akte…

Pitt

33 — saudade

Tijdens een nacht in september, in het oude jaar, hoorde ik in het vpro-radioprogramma Nooit meer slapen een gesprek met geheugengeleerde Douwe Draaisma. Het opende met de vraag: waarom hebben wij nauwelijks toegang tot onze vroegste jeugdherinneringen? Van rond ons 4e of 5e jaar. En zijn die er wel? Douwe: ‘Het nog zo jonge brein, vol in ontwikkeling, heeft wel iets anders aan zijn hoofd dan alledaagse dingen te onthouden. Het moet zo veel andere dingen leren, die voorgaan.’ Tegelijkertijd vertelde hij iets wat ik niet wist: sommige kinderen vertellen zichzelf ’s avonds in bed hardop wat zij die dag hebben meegemaakt. Dat klinkt erg mooi, op een bepaalde manier ontroert het ook – nog zo klein en nu al met zichzelf in gesprek – en ik zou er wat voor geven om eens te horen hóe zij zichzelf daarover vertellen. Toen Draaisma hierover sprak en het omschreef als de vroegste training van het geheugen, dacht ik terug aan een psycholoog in de kliniek, die mij aanraadde om een tijdje een zogenaamd witboek bij te houden: noteer ’s avonds wat er goed was aan de dag die verstreken is. Ik sputterde eerst wat tegen, het voelt een beetje raar om dat te doen – inderdaad kinderlijk – tot het tot me doordrong dat je hiermee een oerinstinct probeert te doorbreken. Want wij zijn erop gebouwd om het slechtste van de dag scherp te onthouden. Dit was een belangrijke eigenschap: het is beter om honderd maal te denken dat een stok een slang is dan éénmaal te denken dat een slang een stok is.

Tegelijkertijd denk ik: maar wij zijn er óók op gebouwd om juist het beste uit ons leven te onthouden! Alsof de natuur ons hier te hulp schiet. Iedereen die wel eens in een ziekenhuis lag, weet hoe snel die tijd daarna vervliegt en helemaal wegebt. Wij kunnen lichamelijke pijn domweg niet onthouden, niet opnieuw voelen. Met geestelijke pijn ligt dat allemaal veel lastiger, die kun je terughalen, opnieuw doorleven, zoveel en zo vaak je maar wilt. Gevraagd, en ook ongevraagd. De schrijver Willem Jan Otten zei een keer: ‘Is het niet vreemd dat wij iemand zo verschrikkelijk kunnen missen?’ Eigenlijk wel, in evolutionair opzicht is het een eigenschap waar je niet veel mee opschiet.

Tenzij je zegt: we missen niet alleen die ander, we missen juist ook de liefdevolle gloed die de ander in ons wakker riep. Of je zegt: die liefde ís er gewoon nog, maar kan niet meer naar buiten en slaat daarom diep naar binnen. Je kunt immers zeggen wat je wilt. De Portugezen hebben er een woord voor, voor de naar binnengeslagen liefde: saudade. De gezongen fado’s zitten er vol mee. Smart. Het woord saudade is onvertaalbaar, je kunt het alleen omschrijven, met: verlies, gemis, afstand en liefde. En met heimwee, melancholie of weemoed. We zitten er vol mee, wij allemaal, tot aan de nok toe.

Het komt uit het Latijnse solitas (eenzaamheid) en is onder invloed van het woord saudar (groeten, herkennen) geëvolueerd tot saudade. Dat is mooi gegaan: we herkennen en begroeten ons eenzame gevoel. Dat is ook maar het beste. Kom binnen! Of, zoals de verslaafden van Anita Witzier zeiden: kom benne!

En daarom: Lissabon, Pessoa en Slauerhoff! Dat waren de ingrediënten waarmee ik op eerste kerstdag vertrok. Een piepkleine overwintering, van ruim een week. Ik had er opeens zo genoeg van om hier een week lang met vuurwerk bekogeld te worden, plus ik vind: ex-verslaafden moeten naar buiten. Zo veel mogelijk. Dat hoort bij het herstel. Maak dat je wegkomt! Dus ik ook. Mijn basisscholen hebben kerstvakantie.

Omdat het verdiende loon van verslaafden erg karig is, reisde ik zo zuinig mogelijk. Met EasyJet vloog ik heen en weer en nam in Lissabon mijn intrek in het goedkoopste logement dat ik kon vinden, ergens in een achterbuurtje. Daar voel ik me sowieso altijd wel thuis. Portugal doet het rustig aan, kopje koffie op een terrasje in de stad: 85 cent. Dus wie doet je wat? En zoals wel vaker, wanneer het low-budget betreft, had ook dit hotelletje een keukentje voor de gasten, je bakt daar in de ochtend een stevige omelet, met bijvoorbeeld uien, paprika, tomaten en courgette, en natuurlijk knoflook. Je kakelt ondertussen met andere gasten, je hoort weer eens wat. Wie zich toch nog alleen mocht voelen kan in bijna alle grote steden terecht bij een Engelstalige AA, daar komen jóuw mensen, je hebt iets om over te praten.

De Portugese dichter Pessoa (alcohol, † 1935) werd in het Nederlands vertaald door vertaler August Willemsen (ook alcohol, † 2007). Pessoa haalde de 50 niet – drinkende alcoholisten komen zelden over die grens heen – maar Willemsen kwam maar liefst tot 71: hij stopte op tijd! En met stoppen bedoel ik: stoppen. Tot het werk van de dichter voel ik me aangetrokken en de vertaler ken ik vanwege zijn autobiografische boek De val, waarin hij beschrijft hoe hij in 1990 opeens in de Jellinek belandde. Je vraagt je weleens af: zijn er ook nog normale mensen op aarde? Nee, die zijn er helaas niet. Daar is ons leven ook wel te complex voor. Gelukkig duurt het maar kort allemaal. Zo voorbij. Maar je hebt bijvoorbeeld wél normale honden op aarde, of geiten, dat is ons geluk, daar moeten we het mee doen. En in Lissabon was ik nog nooit geweest.

De immer droevige Slauerhoff kwam er graag, hij dichtte daar de regel: ‘Nu weet ik waaraan ik sterven zal: aan de oevers van den Taag.’ Waar het licht op schittert. De rivier, die erg breed in de Atlantische Oceaan uitmondt en de stad in tweeën deelt, zoals ons IJ dat ook doet. Maar je kunt wel zo veel willen, Slauerhoff stierf gewoon in Hilversum. Pessoa was een heel ander geval, hij weende niet voortdurend, maar hij dacht te veel. Althans, dat vond hij zelf en noemde zich daarom ‘een denkende dichter’. Want die heb je natuurlijk ook. De meeste dichters ‘zingen’, zoals dat heet, maar hij dacht. Pessoa zou goed begrepen hebben waarom ik hier zo hamerde op stoepbloemen, op Saskia in de Oude Kerk, en waarom ik beschreef hoe de uitstraling van ons Spoorwegmuseum je helemaal in beslag kan nemen, toen hij dichtte:

In al wat ik bekeek, zit ikzelf voor een deel.
Als wat ik gezien heb vergaat, verga ik,
En in mijn herinnering is
wat ik zag wat ik was.

Een opmerkelijke kerel. Hij leefde en stierf maagdelijk, misschien niet eens zo’n slecht idee, en was een intens kunstenaar. Publiceerde tijdens zijn leven vrijwel niets, bood geen uitgever iets aan, werkte overdag een beetje als boekhouder, kon ’s nachts niet slapen – zoals alle drankzuchtigen dat niet kunnen – en dus schreef hij in nachtelijke uren. Na zijn dood vond men zijn literaire nalatenschap, die bestond uit 27.000 pagina’s aan min of meer onvoltooide manuscripten, nagelaten in een grote houten kist. Roem of bekendheid, het mocht allemaal wat, ongezien was hij en wilde zo ook blijven, ging op in zijn leven, ging op in zijn stad. Zag tussen de mensen op straat. Mijmerde wat wanneer hij zag hoe een vrouw buiten de was ophing, aan haar kleine balkon, want dat doen ze daar allemaal, nu nog steeds.

En, ach!, wat vond ook ik Lissabon heerlijk. Elke dag scheen de lage winterzon fel vanachter een strakblauwe hemel, waardoor de zonovergoten kant van een straat heel warm voelde, terwijl het aan de overkant dan weer erg fris was. Telkens trok ik mijn jas aan, of juist weer uit. Wanneer je de benedenstad verlaat, klim je of daal je alleen nog maar, Lissabon ligt tussen zeven heuvels, zoals ook Rome en Jeruzalem. De oude wijk Alfama, waar ooit de Moren zaten, spant daarbij de kroon, een wirwar van steeds maar oplopende stegen en pleintjes. Aan alcohol dacht ik werkelijk geen moment, ook niet tijdens de nacht van oud naar nieuw, het is een stad om domweg doorheen te dwalen. Zelfs museumbezoek sloeg ik ditmaal over. Ik dacht opeens: Cézanne, Picasso, Andy Warhoofd, het zal allemaal wel. Te mooi weer, om binnen te zijn.

Slechts eenmaal kwamen verslavingen in mijn gedachten, dat was toen ik naar de Cemitério do Alto de São João ging, de oude begraafplaats. Een wonderlijke plek. Bijna alle graven zijn tombes, familiegraven, kleine huisjes met een deur voor bijplaatsing, en een of twee raampjes, want ook de doden gunt men nog enig licht. Soms hing een deur half uit zijn hengsels, ik keek naar binnen, natuurlijk voelde dat een beetje ongepast. Zes kisten op schappen, aan beide zijden drie boven elkaar, onder het stof, onder half vergane doeken, een enkele verbleekte foto in een lijstje, een kruisbeeld, alles vol met uiterst dun en teer spinrag en bewegingloze slierten van wat ooit vitrage voor de ramen was. Ruimtes van roerloze stilte en de dood. En opeens dacht ik: maar gaan ook verslaafden eigenlijk wel naar de hemel?

Hm. Een lastige theologische kwestie. Persoonlijk denk ik: enerzijds wel, anderzijds niet. Wie het leven opvat als kostbaar geschenk en zichzelf ziet als schatbewaarder daarvan, die zal menen: nee, spijtig genoeg gaan verslaafden niet naar de hemel. Dat is helaas onmogelijk, wij kunnen niets voor u doen. Maar die moet dan wel weten: het is óók bijna onmogelijk om het leven van een ander op zijn werkelijke waarde te schatten. Pessoa stierf aan een alcoholvergiftiging, veel bonter kun je het niet maken. Maar toch gunnen we hem al het goede, toen, nu, en voor altijd. Wie het leven van de verslaafde echter opvat als een onvoorstelbare lijdensweg, een weg waarvan gewone stervelingen nauwelijks enig idee hebben, dat zoiets werkelijk bestaat, een tranendal zonder weerga, die zal menen: juist een verslaafde gaat naar de hemel! Alleen zal een keurige burger dan weer uitroepen: ‘Wel verduiveld! Zo kan ik het ook!’ Maar nee, brave burger, dat is maar helemaal de vraag, of jij dat ook gekund had. Want jij hebt geen idee.

En zo, blijft deze kwestie onopgehelderd…

Alleen, iemand zal nu zeker zeggen: ‘Maar wacht eens even! Dit is de eenentwintigste eeuw, hoor, meneer Pitt, er is helemaal geen God meer!’ Ach! Niet? Is dat zo, lezer? En dat zegt u mij even? Maar hoe verklaart u dan het gebouw om de hoek van mijn kleine hotel, in mijn achterbuurtje, op vijftig passen van waar ik sliep? Ik zet het hieronder voor u neer, kijk maar mee.

En intussen wens ik u een heel goed Nieuwjaar, u weet wel wat ik bedoel… doe het goed!

Pitt

32 — de tovenaarsleerling

Stel dat ik u zou vragen: wie is volgens u de grootste tovenaar die we kennen uit de literatuur van de oude mythen en sagen? Neem rustig wat bedenktijd mocht dat nodig zijn – en onderdruk intussen de neiging om ‘Gandalf!’ te roepen, die verscheen pas in 1937 – en vervolgens komt u tot de onvermijdelijke slotsom: de grootste tovenaar, dat kan er maar één zijn. En die ene, dat is Merlijn.

Groter en machtiger dan wie ook. Zonder hem was er nooit een rijk van koning Arthur geweest, zonder hem hadden wij nooit gehoord van de Ridders van de Ronde Tafel. Waarom moest die tafel eigenlijk rond zijn? Dat moest, om te vermijden dat er iemand aan het hoofd zou zitten. Arthur was niet meer dan de primus inter pares, de eerste onder zijn gelijken. Ons woord premier komt daarvandaan. Zonder Merlijn was er ook nooit de gedoemde liefde geweest tussen Lancelot en Guinevere, de vrouw van de koning. Een verboden liefde die, hoe zuiver ook, zou leiden tot de ondergang van Arthur zelf en zijn hele rijk. Want zo gaan die dingen. Zo móeten de dingen nu eenmaal gaan. Sommige liefdes, sommige vruchten, zijn verboden.

Met Merlijn liep het trouwens ook niet best af, zelf was hij ook gedoemd. Wij allemaal, trouwens, mocht u zich dat afvragen. Maar wie of wat kon Merlijn nu vellen en omver krijgen, zo groot, zo machtig? Nou ja, een vrouw natuurlijk! Wat anders? Ik heb weleens gedacht: het moet toch wel wat wezen, om een vrouw te zijn. Hoe voelt dat eigenlijk? Geen idee. Zal wel goed voelen. Merlijn werd ingepalmd en verleid door een soort collega, een toverkol. Zij stopte hem meteen in een of ander smerig hol en verzegelde de toegang ervan met een spreuk. Ja, en daar zit je dan.

Maar wacht eens even! Hij kon in de toekomst zien, hoe kon hij zich dan zó in de luren laten leggen? De waarheid is: Merlijn kon helemaal niet in de toekomst zien. Het spijt me wel, maar dat leek maar zo, dat dachten de mensen alleen maar. En zijn voorspellingen dan? Die kwamen toch uit? Ja, dat is zo. Maar dat kwam doodeenvoudig omdat hij achterstevoren leefde, Merlijn leefde vanaf zijn dood naar zijn geboorte toe. Sommige mensen hebben dat. Wat achter hém lag, lag voor anderen nog in het verschiet. Met andere woorden: toen hij haar zag, was het allang te laat…

Voor verslaafden geldt precies hetzelfde. Zij wéten hoe het eindigt. Het begin hebben ze niet gezien. Zij weten dat hun meest ellendige uren nog oneindig veel ellendiger zullen worden. Ja, maar wanneer zij er eenmaal in zitten, dan is het allang te laat. Dat betekent: 1. ga daar niet naar toe. Of 2. kom daar weer uit.

Nou, dat lijkt me duidelijke taal. Ik kreeg namelijk enige milde kritiek op bericht no. 30 – l’chaim, waarin ik u aanspoorde om naar het Spoorwegmuseum te gaan. De kritiek luidde: te zweverig. Pardon? In bericht no. 16 – afscheid en vertrek drong ik er bij verslaafden op aan om zich rond half acht ’s ochtends te melden bij de Oude Kerk in Amsterdam, in verband met het licht en Saskia, Rembrandts vrouw! Over zweverig gesproken! Voor zover ik weet zag ik daar overigens geen verslaafden rondlopen, herstel, ik bedoel: ik zag niemand met de chronische ziekte problematisch middelengebruik en psychische comorbiditeit. Het doodsimpele begrip ‘verslaving’ raakt uit de mode. Dat komt doordat, zoals je nu overal leest, doordat ‘onze kennis over verslavingen enorm is toegenomen’. Ach! Het enige wat misschien toeneemt is het aantal verslaafden, maar de kennis erover zeker niet.

Er is wel meer kritiek hoor, op mijn persoontje. Laat ik het maar eens eerlijk zeggen, zo aan het eind van een jaar. Mijn berichten zijn te lang, en te langdradig – want kijk nou toch, verdorie, zo’n bovenstaande intro over Merlijn, zoiets dóe je toch niet? – ze zijn te zweverig, te opruiend, te tegendraads, te respectloos, te veel ‘kijk mij eens’, te poëtisch, dan weer te hard, te quasi literair, en ook nog te dit en te dat. Mijn berichten zijn in één woord: tequila.

Dat klopt allemaal. Ik schrijf voor niemand op maat. Dat zit niet in me. Liever nog dan iedereen te plezieren, veel liever dan het u allen naar de zin te maken, zou ik me helemaal te pletter zuipen. En wel zo, dat de vonken er van af vliegen! Nog één keer wild… gelijk Samson tussen zijn pilaren… o, het vuur. Ach, kon dat maar, af en toe… waarom eigenlijk niet… gewoon een enkele keer… drank… het voelt zó goed! En bovendien heb ik een zekere trots omdat ik zonder twijfel de saaiste weblog ter wereld heb. Een man stopt met drinken… en wat denk je? Twee jaar later drinkt hij nog steeds niet! Dat is alles. Big deal! Wat valt daarover te zeggen?

Weet u hoe komt dat mijn berichten alle kanten op vliegen? Ik zal het zeggen. Het zit zo. Kijk eens naar al die alcoholboeken die voortdurend verschijnen, de Hallo muur’s, de Tonic’s, allemaal hebben ze de vorm van bekentenisliteratuur, allemaal worden ze gekocht door niet-verslaafden, en kijk dan eens hoe gemakkelijk het is om je eigen neergang te beschrijven. De schrijvers doen het allemaal moeiteloos. De een wat beter, de ander iets slechter, maar allemaal: moeiteloos. Maar om een wederopstanding te beschrijven, jouw opkomst, dat is bijna niet te doen. Zoals Tolstoj het uitdrukte: ‘Het geluk van de een lijkt op dat van de ander, maar ieder ongeluk heeft zijn eigen bijzondere karakter.’ Mijn eigen geluk is daarbij ook nog eens dubbel: ik heb me losgescheurd van een drankverslaving én ik voegde me weer zoveel mogelijk in het gewone leven.

Wie dat erg goed kan, beschrijven hoe je leven zich weer opricht, dat is de Vlaamse schrijfster Griet Op de Beeck. Ik zag haar dit jaar bij het tv-programma Zomergasten en ook mondeling deed ze het prachtig. Er rolde een mooie tip over haar lippen: ‘Denk niet te snel: dan niet.’ Ik keek er van op dat ze dit zei, want voor mij geldt dit zeker. Ik neig ertoe dat snel te denken: dan niet. Wanneer ik iets wil, mijn zinnen ergens op zet, of iemand wil overtuigen ergens van, en dat lukt niet direct, dan voelt het ‘dan niet’ als een opluchting. Sterker nog, dan niet voelt als een kracht, want dat kan het ook zijn! Verspil je tijd niet, loop gewoon door. Griet raadde aan: oké, maar denk dat niet te snel. Het mooie is: wanneer ik iemand zoiets hoor zeggen, dan houd ik dat vast.

We spraken er laatst met de Zes over: de termijnen van herstel. Drie maanden abstinentie in een kliniek, daar begint het mee. Ooit ging dat min of meer vanzelf, maar tegenwoordig lukt bijna niemand dat meer, dankzij het onvoorstelbare slappe beleid van de klinieken. De huidige capitulatiecultuur. Maar u lukt dat wél! Dan komt het eerste droge jaar. Hierin komt het aan op uw vechtlust en uw koppigheid, want de verleidingen zijn talloos. Volhouden. En dan glijdt u het tweede jaar abstinentie binnen, en wéér zijn de dingen anders. Vechten hoeft nauwelijks nog, niet-gebruiken is een gewoonte geworden.

Deel één is binnen: onze abstinentie staat als een huis. Deel twee, de wederopbouw, daar heb ik goed nieuws over! Dat komt bij u binnen op 1 januari, mooier kan het haast niet. Nu moet ik stoppen, anders wordt dit bericht te lang. Ik weet echt wel: hoe korter, hoe bondiger, hoe beter.

Pitt

 

 

31 — de Zes

sevenup64Kijk hem gaan, dit kereltje. Op zijn rubberen laarzen. Het is 1964. Nick heet hij, zeven jaar oud en hij loopt hier de vijf kilometer naar zijn school, vanaf de boerderij in zijn dorp Arncliff, gelegen in de Yorkshire Dales, land van heuvels en valleien. Zijn schooltje is een one-room school, het heeft maar één klaslokaal. In zijn dorpje is hij de enige jongen van zijn leeftijd. Hoe zal het met hem gaan in zijn leven? Een onmogelijke vraag, maar toch weten we: toen Nick volwassen was verhuisde hij naar de VS en werd hoogleraar in Electrical and Computer Engineering aan de Universiteit van Wisconsin. Gescheiden van zijn eerste vrouw en weer hertrouwd, met een andere.

Hoe weten we dat allemaal? Dat komt door een jarenlange Britse documentaire, de up-series genaamd. De eerste aflevering heette Seven up en werd in 1964 uitgezonden. De maker verzamelde twintig kinderen, zeven jaar oud, uit verschillende milieus en achtergrond. In Engeland heet dat nog steeds de hogere en lagere klassen, wij kennen dat onderscheid eigenlijk nauwelijks. Onze premier gaat op de fiets naar zijn werk. De regisseur volgde kinderen uit rijke buurten, uit arbeiderswijken, zelfs een enkel kindertehuis. Hij wilde laten zien: de kinderen groeien op en nestelen zich in de klasse waarin zij geboren zijn, gelijke kansen, gelijke mogelijkheden ten spijt. Dat gebeurde ook inderdaad, bij de meesten.

Om de zeven jaar kwam er een nieuwe aflevering, met dezelfde kinderen, zeven jaar ouder. De hele documentaire sloeg in als een bom. Maar niet vanwege de klassenverschillen! De dreun was: je volgt twintig door en door echte mensenlevens, het ontrolt zich in alle fasen; kind, puber, adolescent, volwassen. Zomaar. Inmiddels zitten we in aflevering 56 up. Als dit zo doorgaat, zijn ze straks bejaard en gaan ze nog dood ook. Twintig levens, in beeld en geluid gevat. De vraag is allang niet meer alleen: wat doen ze in hun leven, met hun bestaan, maar is grotendeels verschoven naar: hoe gaat het met ze?

Wanneer ik aan de Zes denk, krijg ik een zelfde soort gevoel, het volgen van zes levens. En een verslaving die ze verbindt. We kennen elkaar uit de Jellinek, we zijn helemaal geen vrienden, we zien elkaar alleen maar op onze tweewekelijkse bijeenkomsten. We hebben in WhatsApp een groep waar niemand iets op schrijft. We weten nauwelijks waar we wonen! Net als wanneer je drinkt, dan weet je dat ook niet altijd precies. Nou ja, de Zes weten wel waar ik woon, ze kennen mijn piepkleine eilandje in de stad, met de drie kleine ophaalbruggen, vanaf het vasteland rondom. Noodgedwongen moest ik de locatie van mijn arendsnest prijsgeven, mijn apenkooi, want daar komen we bijeen, we zitten aan mijn ruime houten keukentafel, van zeven tot negen in de avond.

Ondanks het feit dat we geen professionele begeleiding hebben – behalve dan in zekere zin van mijzelf – kennen we toch enkele regels. Afzeggen als je niet kunt, is verplicht. Roken mag alleen tijdens de pauze. Natuurlijk rookten we alle zes, verslaafden doen dat nu eenmaal, de oudste paft zelfs pijp!, maar twee van ons zijn ermee opgehouden. En we hebben een kas, met nu vijftig euro. En anders dan in de huidige klinieken, natuurlijk hebben we de regel: er zijn géén terugvallen. We trekken met elkaar verder en verder de abstinentie in, er is geen weg meer terug. Tegelijkertijd zijn we ook niet gek: een van ons kan in theorie een terugval hebben, misschien bij ernstige tegenslag. Maar zegt zo iemand dan tegen ons, helemaal wanhopig: ‘Ja maar, mijn lieve tante is vorige week overleden!’ dan roepen wij: ‘Ja, je tante op een houtvlot!’

Wie bij ons verontschuldigend en min of meer schouderophalend in de groep over zijn terugval vertelt – zoals dat nu aan de lopende band in klinieken gebeurt – die moet helaas vertrekken. Lijkt streng, maar deze regel komt voort uit lijfsbehoud: zo iemand trekt in zijn eentje een hele groep naar beneden. Alleen wanneer de ongelukkige zich te pletter schrikt en direct échte maatregelen neemt, kan hij blijven. En dan steunen we hem ook.

Ons doel is simpel. Het gaat wat verslaving betreft niet meer om het nu, het gaat om de komende jaren. Heel vaak komen abstinente drankzuchtigen na vier of vijf jaar opeens in een gevarenzone terecht. Zonder dat te merken, of zonder acht te slaan op duidelijke tekenen. Vrienden zeggen echt niet: hela. Je bent volkomen off guard geraakt. Het lijkt nog goed te gaan ook, je drinkt eens wat, een keertje. Misschien dat de Zes dit verschijnsel kunnen elimineren.  

De groep bombardeerde mij tot GL. Dit betekent: gespreksleider. Dat houdt in dat ikzelf als het ware niet meedoe, niemand vraagt mij ooit iets, niemand komt terug op wat ik gezegd of geschreven heb, ik kom nooit met een persoonlijke inbreng, ik moet intussen wél de koffie zetten, nog net niet de broodjes smeren, het gesprek leiden, iemand tot de orde roepen, beetje notuleren, terwijl zíj alleen maar zitten en afwachten, en verder, zo lijkt het wel, verder bén ik er bijna helemaal niet. Zo ging het in de kliniek eigenlijk ook met mij, al brak een behandelaar daar af en toe met succes doorheen.

Ik stel de Zes aan u voor.

1  Adri. De kok. De wielrenner. De drankzuchtige. Hij blonk erin uit om werkelijk álle mogelijke hulp naar zich toe te harken, in het gebouw en daarbuiten. En met die hulp dan ook daadwerkelijk iets te doen! Was 35 kilo te zwaar, liep meteen naar een diëtiste. Nu op gewicht. Had een coach, van de Regenboog. Die zei: hee, geen drop meer kopen! Deed hij niet meer. Ging naar een therapeut van PsyQ. Die zei: slik deze pillen. Hij slikte ze. Is niet bang voor Refusal. Gebruikte tijdens de nazorg Campral. Eet uitsluitend nog gezond voedsel. Beweegt veel. Tindert zich een ongeluk. Is zelf ook coach geworden. Werd door zijn verslaving een ander en beter mens. Sinds zijn abstinentie tevens vergadertijger geworden.

Eén ding is een beetje vreemd aan hem, erg vreemd… Wanneer je hem aan tafel ziet zitten, dan lijkt hij van normaal postuur. Gaat hij echter staan, dan is hij opeens veel langer dan jij! Hij moet dus wel twee hele lange benen hebben. In het Monopolyspel noemen ze dat: Lange Poten. Wanneer een indiaan hem ziet, dan zegt die: ‘Oef oef, daar heb je Lange Poten, Hij Die Niet Meer Drinkt.’

2  Henk. De arabist. De oudste, 63. De pijper. De drankzuchtige. Uit de provincie. Wie ons groepje aan tafel zou zien zitten, zou meteen uitroepen: voorwaar, hij is de GL! Want hij oogt als de oudste en de wijste, en misschien ook de verzorgdste. Niet te dik, niet te dun, keurig getrimd wit baardje, à la Hemingway, en altijd in schone kleren. Een heer. Kent Jemen, Syrië, en nog zo wat, op zijn duimpje. Op een avond betwijfelde hij openlijk of hij wel alcoholist is, in de Jellinek deed hij dat ook al. Die twijfel hoor je onder kliniekgangers vaker dan je zou verwachten. Henk, bijvoorbeeld, werd wel degelijk met een half delirium de Jellinek binnengedragen. Dat gebeurt niet iedereen. Om zijn twijfel te bezweren dwongen we hem op een avond om te gaan staan en hardop tegen ons te zeggen: ‘Hi, I am Henk. I’m an alcoholic.’ En wij zeiden terug: ‘Hi Henk.’ In films gaat dat ook zo.

Henk is nog altijd getrouwd. Drie van de Zes hebben een relatie, bij de anderen liep die vanwege hun verslaving op de klippen. Alle dromen, alle verwachtingen, alle hoop – allemaal weg. Alle vrees bewaarheid. Bij de partner dus ook! Ik schreef in bericht 28 – eigenwaarde: ‘Een verslaving blijft beslist niet ongestraft.’ Het allerergste hieraan is dat dit ook voor de omgeving geldt. De enige échte onschuldige in dit hele ellendige verhaal is de omgeving, de partner, de kinderen, de ouders, de familie en vrienden. Je kunt de verslaafde niet verwijten dat hij verslaafd raakte, wél dat hij er niets of te weinig aan doet.

3  Joost. Chemisch analist in opleiding. De jongste, 25. Was drugsverslaafd. Woont met zijn vriendin samen. Ondanks zijn leeftijd blinkt hij uit in wijsheden over zijn verslaving. Hem hoorde ik tot mijn grote verbazing in het gebouw zeggen: ‘Ik denk dat ik door mijn verslaving een beter mens geworden ben.’ Dat denk ik zelf ook, maar dát inzicht had ik nog niet op zijn leeftijd, de verslaving had ik al wel.

Joost vond een nieuwe hobby. Oude spullen kopen, opknappen, weer verkopen. Laatst kwam hij aanzetten met een oud Cartierhorloge. Tegenwoordig denkt hij steeds vaker: ik zou wel buiten de stad willen wonen, in alle vrijheid.

4  MiK. Maquettebouwer met zware wiskundige inslag. Alcohol. De enige met een stamcafé, daar komt hij nog steeds. Kan zwijgzaam zijn, dan bromt hij wat. Houdt aan tafel de logica in de gaten. Woeste kop, wilde baard, wild krulhaar op de kop. Zonder enige moeite zie je hem in de Schotse Hooglanden lopen, in de mist, wanneer het motregent, dan gaat hij de paden langs, met zijn doedelzak.

Ook MiK begon een nieuwe liefhebberij, stadsfotografie. Tweemaal in de week stuurt hij een foto, schrijft daar een verhaaltje bij, gedachten, invallen, ergernissen. Ik push hem vaak om een blog te beginnen, doet hij niet. MiK is degene die aan zijn verslaving de meeste kwalen of kwaaltjes overhield, zwaarlijvigheid, diabetes, neuropathie in de voeten, plus extreem uitstelgedrag. Maar hij vindt nu steeds meer zijn weg, tussen alle obstakels door.

5  Pjotr. Inmiddels hotelier geworden. Nou ja. hij runt een bed and breakfast. Met verhouding, met een vrouw. Alcohol, altijd wodka. Omdat hij de knapste van de Zes is, wordt hij in de groep ook wel graaf Wronski genoemd, die we kennen uit Tolstoj’s Anna Karenina. Hij is de enige die ik vanuit de kliniek meekreeg naar een serieuze mindfulness training, zes weken lang. Hij was daar verrukt over, ik ook. Zijn vriendin deed ook mee, wel belangrijk: doe sommige nieuwe dingen samen, want voor de partner is de abstinente verslaafde nieuw.

Begon als hobby iets wat nogal smerig is: het brouwen van zogeheten Kombucha. Op een laagje water drijft een soort kwal, een zich uitdijende vormeloze massa, eigenlijk een blob, vergelijkbaar met de blob uit de gelijknamige speelfilm The Blob. Wel gadverdamme. Het geheel bestaat uit zich heel snel delende bacteriën. Dat drinkt hij nu… het is ongelooflijk wat een mens kan hebben. Maar alles beter dan alcoholvrij bier! Daar kom ik op terug, het leidde in ons groepje tot heftige discussie.

6  Pitt. En ik, zei de gek. En hij, zeiden de andere idioten. Pitt heeft een beetje een makke, een eigenaardigheid: overal om zich heen ziet hij psychopaten. Waar hij ook kijkt! Die ziet hij. Dat is zijn hele leven al zo, het is niets nieuws onder de zon.

En, lezer, sinds kort hebben we Michiel erbij, we kennen hem uit de dagbehandeling. Hij is cocaïnefetisjist. Een beetje onze zorgenbroeder. Heel veel kwijtgeraakt, juist ná zijn behandeling. Gelukkig nu loodgieter geworden, bij een baas. ‘Ik ben gestopt met denken,’ zegt hij. We weten niet of hij blijft komen, ook niet of hij nuchter blijft. Maar hij leeft nog, dat is het belangrijkste.

En dat geldt voor ons allemaal, we leven nog. De Zes, vol leven!

Pitt

30 — l’chaim, op het leven

spoor

Thans treedt u binnen in bericht no. 30, waarin Pitt Hamson u meeneemt op een imaginaire reis door het hoofd van een mental coach, waarin de schrijver vervolgens de Zes aan de lezer voorstelt en waarin hij u ten slotte een zelfbedachte test aanbiedt, die uitwijst in hoeverre u zich weer verbonden voelt met het leven. Daarom even dit:

And you know that she’s half-crazy
but that’s why you want to be there,
and she feeds you tea and oranges
that come all the way from China.

Het is tijd, we gaan beginnen! Overigens, natuurlijk heb ik mij weleens afgevraagd: hoe zou deze weblog eruit zien zónder mijn kritiek op de Jellinek en de verslavingszorg? Nou ja, ongeveer hetzelfde. Maar het is van een wrange ironie dat ik dan wél een schrijftechnische moeilijkheid zou hebben, namelijk: hoe moet ik er bij u, zo af en toe, op hameren dat een alcoholverslaving zo goed als altijd eindigt met een vroege dood? Hoe moet ik de lezer daarvan doordringen, zonder mij in allerlei bochten te wringen? En zie, de huidige Jellinek geeft mij het ene handvat na het andere, de Heer is mijn herder, het ontbreekt mij aan niets. Ik móet dit tegengeluid laten horen, in de hoop dat u er ten minste over nadenkt. Als uw leven u lief is. Of als uw leven u lief wordt. Waar de Jellinek een verslaving bagatelliseert – het gedogen, de ‘uitglijders’ – daar benadruk ik hem juist. Waar de Jellinek abstinente ex-cliënten niet meer uitnodigt om hun verhaal te doen, daar kom ik met deze weblog. Waar de Jellinek zich onderwierp aan de Koning en hem binnen loodste, daar kom ik met het felste verzet tegen hem. Waar de mental coach komt aanzetten met ‘gecontroleerd drinken’, daar kom ik met de enige echte oplossing: stoppen.

Ziezoo!

Even voor de goede orde: er is een hele grote groep mensen die weliswaar te veel drinkt, maar die domweg geheel op eigen kracht – of deels op eigen kracht – kan minderen. En minderen is wel iets anders dan gecontroleerd drinken. Deze mensen zou ik niet verslaafd noemen, wel lopen ze een risico daarop. Maar wie controleert het drinken van de drankzuchtige drinker? Juist, dat doet hij zelf. Maar als hij dat kán, dan is hij toch geen alcoholist? Nee. Maar die bestaan ook helemaal niet meer. Wij zijn psychiatrische patiënten geworden, dat zeggen de geleerden.

Het eerste waar onze mental coach tegen aanloopt, dat is meteen al het kiezen van zo’n rare titel, zijn beroep. Kennelijk is hij dus een geestelijk leraar of een psychisch begeleider, maar in gewoon Nederlands vindt hij dat helemaal nergens naar klinken. Moet je dát nou zeggen op een verjaardagsfeestje? Nee, een mental coach klinkt wel even wat steviger. Stoerder. Oké, laten we eens in het hoofd van zo’n mental coach kruipen, wat is dat eigenlijk voor snuiter? Moderner gezegd: what the fuck? Ik ken er een, een verslavingsdeskundige, hij houdt vanuit zijn eigen praktijk een weblog bij, dat vind ik goed van hem. Deze man maak ik nu even in zijn eentje de vertegenwoordiger van de huidige verslavingszorg in Nederland. Ik til hem op!, je moet ruim denken. Op zijn blog prijst hij zichzelf aan door te zeggen: ‘Ik luister naar je zonder te oordelen.’ Pardon? Maar dan kan ik net zo goed thuisblijven. Ik kreeg van de twee geiteneters in het vorige bericht een hyacint in een potje cadeau en hyacinten oordelen evenmin. Ik ben misschien een beetje raar in die dingen, maar ik wil dat een therapeut tegen het licht houdt wat ik doe en wat ik zeg. Dat hij dat afzet tegen de werkelijkheid, zoals hij die ziet. Ik wil dus dat hij oordeelt. Daar wordt hij voor betaald. Als hij nu al begint met: ‘Oordelen? Doeknie!’ dan zeg ik: ‘O nee? Maar ik wel! De groeten.’

We kruipen nu in zijn hoofd via een van zijn laatste berichten op zijn blog. Ik citeer zo letterlijk mogelijk, soms fatsoeneer ik een zin, dat is trouwens ook mijn beroep, tekstredactie. Het volgende schreef hij op 9 november jongstleden, de dag nadat Donald Trump de verkiezingen had gewonnen.

‘Ik hoorde al van cliënten dat zij de teleurstelling van de verkiezing van Trump als zo’n grote tegenvaller ervoeren, dat zij er trek van kregen. Dus nou hoor ik de eerste mensen al zeggen: ‘Die verslaafden grijpen ook alles aan om te gebruiken.’

Ja! Hier zo! Hier is een van de eerste mensen die dat zeggen, Pitt Hamson is de naam. Luister maar: verslaafden grijpen alles aan om te gaan gebruiken. Ja, sorry hoor coach, maar dit is een weblog met een nogal hoog waarheidsgehalte. Dat is al zo vanaf de eerste letter die hier geschreven werd. Een wereld die halverwege de vorige eeuw door de gruwelijkste vormen van fascisme en racisme heen moest – en daar veel sterker uitkwam dan zij erin ging – die wereld kan nu niet door Donald Trump heen? Toch krijgen de cliënten van de mental coach door Trumps verkiezing trek. Zonder de geringste twijfel gaan zijn cliënten meteen drinken wanneer zij:

– denken aan hun oma die op een dag overleed;
– denken aan de watersnoodramp in 1953;
– huilen om de verloren Slag bij Waterloo;
– humeurig zijn, niet goed in hun vel zitten;
– sidderen bij de gedachte dat het heelal zo groot is;
– huilen om wat zij hun omgeving hebben aangedaan.

‘Maar ik zie dat een aantal van mijn cliënten in een verslaving terecht is gekomen omdat zij toch wat meer onrecht hebben meegemaakt. (…) Het enige wat ik kan zeggen: het maakt echt niets uit als jij hier op uitglijdt.’

Gelukkig. Vooruit, doe hem een lol, glij eens uit. U hebt veel onrecht in uw leven meegemaakt, kennelijk meer dan ik, dus het mag wel een keertje.

‘Maar ik maak me dus wel zorgen over Trump. En met mij waarschijnlijk meer mensen met de chronische ziekte verslaving, althans de groep die zijn ziekte niet ontkent…’

Het wordt interessant. De groep die zijn ziekte niet ontkent, die maakt zich zorgen over Trump. Maar ik, Pitt Hamson die alles ontkent, ik maak me géén zorgen. Hoe komt dat? Dat komt doordat:

‘… in de groep die zijn ziekte wél ontkent, daar vind je nogal wat mensen die stemmen op een populist, die verslaving net zo hard veroordeelt als zij zelf doen.’

Oké, coach, ik snap het. Drankzuchtigen zoals ik, mensen die zeggen dat zij níet ziek zijn, die nu al bijna twee jaar lang niet drinken, die stemmen op populisten. Plus: zij veroordelen een verslaving. In plaats van een verslaving te omarmen, zoals normale mensen doen. En hier zie je nu waar dat hele gedoe over ziek-zijn of niet ziek-zijn op uitdraait. Tot volkomen ridicule aannames en opvattingen, van een volwassen man. En deze coach, dit exemplaar, werkt momenteel in deeltijd in de Jellinek, dat zal u nu niet meer verbazen. Ik noem zijn naam niet, laten we hem bedekken met de mantel der liefde.

Een arts mag vaststellen dat mijn lichaam ziek is wanneer ik diabetes heb, een psychiater mag mij geestesziek noemen wanneer ik een psychose heb, maar jij, mental coach, wie ben jij? Wie bén jij, om mij te definiëren? Om mij ziek te noemen? Om mij psychiatrisch te noemen? Wie ben jij!!

In bericht 20 – loven en bieden schreef ik al dat wij tegenwoordig moeten vechten tegen twéé kampen, de buitenwereld en de verslavingszorg. Beide werelden plakken ons ongevraagd de idiootste etiketten op. De buitenwereld kan mij niet heel veel schelen, na Anita Witzier zal onze reputatie nóg weer slechter zijn geworden, de zorgwereld kan mij echter wel wat schelen, want daar gaat het om u. En om mij. De mental coach, echter, drukt het gecontroleerd drinken gewoon door:

‘Als jij bereid bent om door te gaan met jouw controle, dan kun je anderen ervan op de hoogte brengen dat jij een prachtig mens bent. Mét een verslaving – waar verder goed mee te leven valt, als je dat handig aanpakt.’

Hij bazelt maar door, niet te stuiten, niet te sturen. Duurt het dagen, duurt het uren. Een prachtig mens kan met een verslaving goed leven, als hij dat een beetje handig aanpakt. Dingetje dit, dingetje dat. Beetje zus, beetje zo.

‘Jij bent meer de moeite waard dan de losers die deze populist hebben laten winnen.’

Ah… daar is het eindelijk… jij bent de moeite waard… de niet-verslaafde vindt de verslaafde de moeite waard, omdat die verslaafd is. Maar: East is East and West is West, and never the twain shall meet. Hij weet helemaal niet wie wij zijn. De Oost, waar de zon opkomt, en de West, het avondland, waar de zon ondergaat. En we horen ze, de zoete gezalfde woorden. Daar betaalt de cliënt zijn coach ook voor, het is betaalde liefde. Zonder twijfel luisteren zijn verslaafden graag naar hem; alleen denkt hun omgeving er heel anders over. En ik ook. Ik kan hier nauwelijks onder woorden brengen hoe misselijkmakend dit alles is, de dingen die hij schrijft. En je wilt wel met hem meegaan, samen naar de overkant, maar je kunt hem niet vertrouwen, want je houdt al zijn gedachten… in je hand. De imaginaire reis door het brein van de mental coach is nu ten einde, de reis leerde ons: mental coaches zijn chronisch ziek. Mental coaches zijn psychopaten.

Goed zo, Pitt! Maar nu: schluss! Sluiten nu. Iets veel leukers… de Zes! De drogen. Nee, door dat gedonder met die gast van hierboven haal ik dat niet meer, dit bericht moet ook weer niet te lang worden. Ik schuif ze door.

Ten slotte dan eindelijk… de Test van het Verbond. Hoe verbonden bent u met het leven? Daarvoor heb ik deze test bedacht. En opnieuw geldt nu: de test van het verbond is er voor álle mensen hier op aarde. Ook voor de mental coach? Hm… nou ja, ook voor hem. Opnieuw gaat u op reis, maar ditmaal gaat u alleen. Ik hoef niet overal bij te zijn. Kort geleden liep ik door Utrecht, het is wel een mooi stadje om doorheen te dwalen, kleine grachten, smalle straatjes, alle architectuur in de binnenstad in laagbouw. Daar moet u nu heen, geen zorgen, gewoon een middagje uit.

Pardoes stond ik opeens voor het Spoorwegmuseum. Ik kende het niet. Als ik er weleens over hoorde, dan dacht ik: wat oude foto’s, een filmpje, dat zal het wel zijn. Toch ging ik er binnen… en daar, waar ik helemaal niets verwachtte, juist daar ontstond het idee van deze belangrijke test. In bericht no. 16 – de eed beschreef ik wat er gebeurt wanneer u abstinent blijft: ‘Het leven zélf opent zich weer, het geeft de verslaafden weer toegang.’ In bericht no. 18 illustreerde ik dat door middel van de stoepbloemen. En nu, in bericht no. 30, heb ik een test voor u: hoe verging het u, hoeveel toegang hebt u inmiddels verkregen? Opmerkelijk hierbij is: ik volg in al mijn berichten nauwelijks enig plan. Ik beschrijf gewoon mijn eigen leven, de dingen die gebeuren. De volgorde die hierin lijkt te zitten, komt niet van mij. Die brengt het leven zelf aan. Zolang je maar niet drinkt.

Het museum is eigenlijk een heel complex, het is een voormalig treinstation. Vanuit Hoog-Catharijne rijdt er een speciale trein naar toe. Voordat u naar binnengaat, moet u één ding weten: NS-mensen zijn niet gewoon maar mensen, het zijn spoorwegmensen. Ooit diep verbonden met de wereld van vuur en staal en enorme trekkracht, en nu met elektriciteit en staal en nog steeds de trekkracht. Zij zijn degenen die ons in staat stellen te reizen, zij maken van ons: mensen van aankomst & vertrek. Met andere woorden: wanneer zij na hun pensioen mee helpen knutselen aan hun museum, dan ontstaat er ook wel wat!

Je kijkt er je ogen uit. Heel veel is nagebouwd of in ere hersteld, wachtkamers, complete perrons, overal staan treinen, de groene stoere Hondekop, de veel tengere Blauwe Engel, die op diesel reed. Je kunt overal in. De oude stoomlocomotieven. En de prachtige oude wagons van de Oriënt Express, die de weg naar de Oost gingen. Daarom knutselden de NS’ers zowel een oud perron uit Parijs in elkaar als ook een perron uit Istanbul, waar je aankwam. Hoe zag dat eruit? Er zijn nagemaakte balies, zoals zij vroeger waren, met de posters uit die tijd.

Goed, en dan nu de test. Wanneer u daar bent, komt hij in twee delen naar u toe. In de eerste plaats is daar de schoonheid. Je kunt niet zeggen: vroeger was alles beter; je kunt wél zeggen: vroeger was alles veel mooier. Wachtkamers, houten bankjes, de treinstellen, de uiterlijke zorg waarmee de dingen ontworpen, samengesteld en gebouwd werden. De vraag is dus: de schoonheid die daar op u afkomt, uit een nog betrekkelijk nabij verleden, een alledaagse schoonheid, ziet u die?

Indien u deze vraag met ‘ja’ beantwoordt, wat ik heel erg hoop, dan gaat u door naar de slotronde. Hier hangt alles van af… de vraag over de schoonheid ging over iets dat tastbaar is. Over dingen die u kunt zien en aanraken. De slotvraag gaat veel dieper, ik ga u vragen naar iets wat u níet kunt aanraken, niet kunt zien… alleen nog met uw geestesoog… uw innerlijk. Over alles wat u daar om u heen ziet, ligt een heel bepaalde glans. Juist hier, in dit wonderlijke museum. Het is de glans van het onbekende, het reizen, avontuur. Niet eens naar verre streken, dat hoeft helemaal niet, maar gewoon, in eigen land. Bij u in de buurt. Gewoon, in uw eigen wereld. De vraag is: wanneer u daar staat, voelt u dan iets van de opwinding die dat oproept? Hoe klein ook? Voelt u hoe het aan u trekt? Voelt u het in de kleinste dingen om u heen? Voelt u hoe er in die glans een uitnodiging aan u verborgen ligt? Hoort u zeggen… kom… ga met mij mee…

And you want to travel with her
and you want to travel blind
and you know that she will trust you
for you’ve touched her perfect body with your mind

Het is verleidelijk te denken dat zij een vrouw is, maar dat is zij niet. Suzanne is hier het leven zelf.

Pitt

29 — de geit

geit

Ik zou het ieder mens van harte aanraden, met andere woorden: hier volgt een advies voor u, vanuit het hart gegeven. Dat advies is dit. Ga eens bij uzelf na: wanneer had u voor het laatst verschrikkelijk ongelijk? In iets wat u dacht, schreef of beweerde. Hoe lang is het geleden dat u er echt faliekant naast zat? En waar ging dat over, wat was dat dan? Toen ik nog dronk en weleens in mijn eentje een kroeg binnenging, had ik veel plezier in het stellen van dit soort vragen, juist aan wildvreemden. Ik vroeg dan soms ook nog: ‘Heb jij weleens iets gedaan in je leven wat onvergeeflijk was, en zo ja, wat was dat?’

Ik kom nooit meer alleen in een kroeg en deze vragen stel ik niemand meer. Er is veel aan mij verloren gegaan sinds ik abstinent werd en abstinent bleef. De glans is eraf, van mij. Die kan ik er ook niet meer op krijgen, hoe ik ook wrijf of poets. Twee jaar lang ben ik nu al heel gewoon, duf en onopvallend. Echt? Is dat echt zo, Pitt? Welnee, lezer! Laat niemand zich daar veel zorgen over maken. Als u niet helemaal goed snik was toen ik u nog dronk, dan bent u nu nog steeds getikt. Mocht u daar waarde aan hechten. Al zou ik dat niet te veel zou doen, als ik u was. Alles waar ‘te’ voor staat is niet goed. Behalve tequila.

De laatste keer in mijn leven dat ik ongelijk had, dat weet ik nog precies. Het is nog niet eens zo lang geleden en het was vlak achter het Centraal Station, in Amsterdam. Daar is het altijd erg druk: grote aantallen voetgangers, van en naar de ponten, via het station, en grote drommen fietsers en scooters op weg naar het centrum of naar de nieuwe woonwijken in het Oostelijk Havengebied. Die kruisen elkaar allemaal. Welnu: vorig jaar besloot de gemeente om daar Shared Space van te maken. Geen zebra’s of voetgangerslichten, zelfs geen onderscheid tussen loop- en rijgedeelte, niks! Zoek het maar uit! In verkeersjargon heet dat: gedeelde ruimte. Ik wist zeker: dat wordt niets. Die tijd is voorbij. Niemand geeft voorrang als dat niet verplicht is, iedereen neemt het als dat maar even kan. Ik zat er helemaal naast! Ik fiets daar vaak en het gaat allemaal fantastisch… En ik vind het heerlijk om te zien: voorbeeldig gedrag, van medeburgers. Ik was even kwijtgeraakt hoe mooi dat eruit ziet.

Natuurlijk vroeg ik me af: wat had ik gemist? Wat had mijn ongelijk veroorzaakt? De reden was simpel: ik had helemaal over het hoofd gezien dat het delen van die ruimte weliswaar niet verplicht is, maar toch moet je. Je hebt domweg geen keus. Je kunt niet tegen iemand aan knallen. Je remt af als dat moet. Desnoods stop je even. Of voetgangers doen dat. Je laveert, slalomt, zigzagt. Je bent alert. Je móet. Daarom is stoppen met drinken veel minder moeilijk dan sommigen denken, immers: je móet, je hebt geen keus… Er zijn doemdenkers die zeggen: je kúnt het niet, je bent ziek. Maar u kunt het wél, want u moet. Zoals ík niet geloofde in shared space, zo geloven klinieken niet in abstinentie. Al breken zij hun nek erover, dan geloven ze het nog niet. Daarom hebben de ongelovigen nu iets nieuws voor u bedacht, houd u vast: gecontroleerd drinken! Hoera! Binnenkort krijgt u via vrijwilligersorganisatie De Regenboog een speciale coach die u daarbij helpt; daar verspillen zowel de Regenboog als hun coaches als uzelf straks hun kostbare tijd aan. Ik blijf het doen, ik blijf u bidden en smeken: sla geen acht op de geleerden en andere hansworsten… negeer ze. Over vijftien jaar zijn al die figuren en hun rare ideeën weer weg. Maar ú bent er dan nog, althans, indien u uw eigen weg gegaan bent. Hetgeen ook mijn weg was én die van de Zes: rigoureus stoppen. Kijk niet naar mij, ik doe er niet toe, kijk naar de Zes. Niet ik, maar zij wijzen de weg… alle zes nu twee jaar droog. Ik kom hier noodgedwongen met mijn woorden aanzetten, maar zij laten het zien. Show, don’t tell.

Natuurlijk, het is allemaal zó verleidelijk! U bent zogenaamd ziek, u kunt niet anders, u moet af en toe drinken, om het langzaam af te leren. Ik zeg u nu: doe dat rustig, veel plezier daarbij, doe uw coach de groeten van mij, en binnen tien jaar bent u dood. Hoe ik dat weet? Dat is een uitstekende vraag! Maar ook erg wrang. Ik kom er snel op terug, maar nu even niet. Nu moeten we verder, want we willen uitkomen bij de geit. Die is er immers ook nog. Eén ding wil ik hier wel vast kwijt: tijdens de dagbehandeling kwam een lotgenoot naar me toe. Ze zei: ‘Pitt, je moet wel weten: wanneer wij naar jou luisteren, naar je verhalen, hoe het volgens jou allemaal moet, dan denken wij: ja, maar jij zit hier ook!’ Ik was er niet verbaasd over dat zij dit zei en ook niet dat ze sprak in de wij-vorm. Mijn antwoord was eenvoudig, ik zei: ‘Lieve Maris, je moet het zelf weten. Bedenk wel één ding: ik ben al zo lang drankzuchtig, ik ben een alcoholist die werkelijk alles fout gedaan heeft in zijn leven, alles. Telkens te lang gewacht, te weinig gevaar gezien, te veel genegeerd, te vaak onderschat, te vaak niet geluisterd, te vaak met vuur gespeeld, soms veel gewonnen maar te vaak weer veel verloren, te blind, te stom. In één woord: tequila. Ik heb dus: recht van spreken. Beter gezegd, in mijn denkwereld: ik heb een plícht tot spreken. En jij hebt geen enkele plicht naar mij te luisteren. Tenzij je vindt dat het leven zelf jou die plicht oplegt.’

En in stilte dacht ik aan een vraag die niemand in de kliniek mij ditmaal stelde, een vraag die nu juist in mijn geval de belangrijkste is van alle, namelijk: ‘Zeg Pitt, hoe kan het eigenlijk dat jij nog leeft?’

Het stellen van belangrijke vragen, lezer, dat moet u echt zelf doen. En erover nadenken. En ze daarna zo goed mogelijk beantwoorden, dat ook. Stel uzelf de vraag: waarom leeft u nog?

De geit. Het was een zware week, de afgelopen week. Ik leed onder een flinke verkoudheid, moest lesgeven, met de pest in mijn lijf, en in mijn hoofd, woensdagavond kwamen de Zes bij mij en was ik dus omringd door allemaal ex-verslaafden, van wie er één aan mij vroeg: ‘Zeg eens, waar geef jij eigenlijk les in?’ maar goed, hij kent mij pas anderhalf jaar en ik vertelde er nog maar zeventien keer over, dus te kort en te weinig, en donderdag gaf ik geen les want om zes uur moest ik op en om zeven uur weer thuis vanwege een BHV-herhalingsdag in de provincie, en toen, godbetert, op vrijdagmiddag koken, vanwege twee eters, tegen wie ik gezegd had: ik kook een Byzantijnse maaltijd voor jullie, zonder ook maar enig idee wat ze in het oude Constantinopel eigenlijk aten, en om mijn onwetendheid te maskeren had ik gezegd: in het Byzantijnse Rijk aten ze elke dag geit!

Pft. Daar stond ik afgelopen vrijdag, alleen in mijn keuken, met mijn geit. Nou ja, een stuk daaruit. Er zijn mensen die zeggen: ik eet nog liever een schoenzool! Maar ik vind geiten erg leuke beesten en ik heb een eigen filosofie: je mag een diersoort eten wanneer je ook erg veel van juist deze dieren houdt. Ook had ik een grote winterpeen, paprika, bleekselderij, boontjes, uien en knoflook. Voor de gasten: een fles wijn en vier halve liters bier. En ik had verschrikkelijk de pest in. Daardoor kreeg ik een soort verlichte gedachte, namelijk: komt er in het leven van een man niet een heilig moment, waarop hij zich voorgoed uit de samenleving terugtrekt en kluizenaar wordt? Of een pilaarheilige, zoals heel vroeger in Syrië? Ja, eigenlijk wel. Dus waarom niet nú? Maar toen, alsof de duvel ermee speelde, toen kwam er opeens een krachtige herinnering uit mijn dagbehandeling naar boven drijven! In de groep werd mij gevraagd of ik een beeld kon schetsen van zowel de voordelen als de nadelen van alcohol.

Vragen naar de voordelen mag nu niet meer, vertelde een behandelaar ons veel later. De geleerden besloten opeens dat dat ongepast is. In mijn ogen was dit nu juist een van de belangrijkste vragen die je een verslaafde kunt stellen, dus vanzelfsprekend werd dit deel geschrapt. Want geleerden zijn zó knap! Als behandelaar zou ik branden van nieuwsgierigheid: wat is zó aantrekkelijk aan alcohol dat jij je leven ervoor opgeeft??

Ik moest beginnen met een beeld van de nadelen. Ik begon: ‘Oké, stel, je loopt ’s nachts vanuit de kroeg naar huis. Althans: min of meer lopend en min of meer naar huis. Je besluit, zeg maar, om door de stad naar het westen te trekken, gelijk een cowboy op de prairie, of een bedoeïen in de woestijn. Want daar was het ergens, waar je woonde, dáár, vlak onder die ene ster, die zo flonkert. Drankzuchtigen navigeren altijd op de sterren. Maar het lukt bijna niet meer, je benen worden steeds slapper en je slingert echt te veel. Je moet door een piepklein parkje, zoekt houvast bij een bankje, je grijpt mis, gaat onderuit. Daar lig je dan, roerloos. Je denkt: even bijkomen. Je hoort voetstappen, op het grindpad. Je denkt: hulp? Het is een zwerver, hij staat naast je. Hij knoopt zijn broek los en pist over je heen.’

Het bleef even stil in de groep, maar ik vond het wel een sterk beeld! Een van de nadelen van drinken is dat mensen dan over je heen urineren. Gelukkig was mij dat nooit overkomen, maar zoiets kan gemakkelijk gebeuren. Ook ú, lezer, die nu nog een partner hebt en nog een baan: dit staat u dus ongeveer te wachten. Het is uw voorland. Tenzij… En toen was het de beurt aan de voordelen van alcohol. (Het lijkt me beter dat de geleerden nu even wegkijken, anders nemen ze deze weblog niet meer serieus.)

Ik zei: ‘Stel, je hebt vrienden en vriendinnen uitgenodigd, ze komen bij je eten. Je eettafel staat vol met heerlijke dingen, je deed je best, je had er hulp bij, van je geliefde, er is bier en wijn in overvloed. En iets sterkers voor bij de koffie. Het hele gezelschap drinkt en eet, en jij drinkt en eet, en geniet, en allen krijgen de geest. Er valt geen onvertogen woord, de mooiste verhalen rollen over tafel, ook uit jóuw mond, je geniet intens, dit zijn jóuw mensen, om je heen, dit is jóuw leven, je voelt je urenlang gelukkig. Soms kijk je alleen maar naar ze, naar hun gezichten, hun gebaren, je hoort hun lach. Je weet: alles gaat voorbij, maar dit, dit is er nu. En je houdt dit beeld vast, je slaat het op en roept het later terug, wanneer je maar wilt. Het staat voor je klaar. Althans, zo lang je maar blijft drinken…’

Ik vond dit óók een sterk beeld! Wat daar nu nog van over was, dat waren de twee eters die ik tegen zessen verwachtte. Twee geiteneters. Terwijl ik de wortel sneed, realiseerde ik me: het geluksgevoel dat ik in de kliniek beschreef, dat bestaat niet meer. Er komen nu twee vrienden eten, ik sta alleen in de keuken, en ik drink niet. En ik realiseerde mij nóg iets: oké, hun komst is second best. Maar second best is nog steeds best. Dus zo moet het maar. De maaltijd zelf, mijn stoofschotel, bleek een groot succes te zijn. Ik moet er eerlijk bij zeggen: die ene geiteneter, die was een beetje getikt, en die andere eigenlijk ook. Maar zo heb ik het graag.

Dit verklaart nog niet de afbeelding boven dit bericht. Oké, ik doe het nog een laatste keer, het drinken beschrijven, daarna nooit meer. Of bijna nooit meer. Het is namelijk óók belangrijk dat u daar tegen kunt, u moet flink worden. Het plaatje is een still uit Jiskefet, zij spelen drie snelle reclamejongens. U ziet Kees Prins staan, de heren kijken naar een reclamefilmpje dat zij gemaakt hebben, waarin opeens een geit in beeld verschijnt. Daar wisten zij niets van! Een tijdlang geloven ze het ook niet, er ís helemaal geen geit. Maar de geit tikt in hun filmpje met haar kop tegen het raam, zij wil naar binnen.

Destijds, zij begonnen in 1990, was Jiskefet af en toe in staat mij uit de diepste alcoholdepressie te trekken. Ik woonde toen vlakbij het eind van de Lijnbaansgracht en kwam daardoor weleens in café Oosterling. Een klein cafeetje, dat voor iemand als ik vooral één groot voordeel had: het is tevens een kleine slijterij. Voor mij voelde dat als iets van lang geleden: je dronk een paar heerlijke kopstootjes en zei tegen de kastelein: doe alvast maar een kruikje jonge klare erbij, voor thuis. Ik keek om me heen, ik kende er eigenlijk niemand. Er is niet één kroeg in de stad waar ik iemand ken. Heel misschien Eik en Linde. Bij de uitgang zaten aan een tafeltje Michiel Romeyn en Herman Koch, die zaten daar wel vaker. Het is bepaald niet mijn gewoonte om bekende Nederlanders aan te spreken, maar in het voorbijgaan, met de geopende deur in mijn hand, kon ik het niet laten: ‘Heren, die uitzending met die geit, dat was briljant!’ Romeyn keek even naar Koch, en zei: ‘Wat voor geit?’ Koch zei vriendelijk tegen mij: ‘Sorry, daar weten we niks van.’

Hahaha! Buiten drong het pas tot me door. Er wás geen geit! Ik dacht: misschien ben ik er zelf ook wel niet. Ik liep langs de Reguliersgracht, vooral ’s avonds toch wel een van de mooiste grachten in Amsterdam. Straatlantaarns wierpen mijn schaduw alle kanten op. Misschien was ik niet meer dan alleen maar een schaduw. Maar laat mij dát dan tenminste zijn, mijn eigen schaduw… Dat was toen, lezer, en kijk nú eens!, ik ben er nog steeds, ik leef nog. Misschien is dat de raad die ik u moet geven: probeer in ieder geval uw schaduw te worden.

Pitt
carel-willink-simon-de-pilaarheilige_resize_resize

28 — eigenwaarde

eigenwaarde06

Het wordt nu toch wel eens tijd om dit onderwerp aan te snijden, samen met u. Gevoel van eigenwaarde. Zelfrespect, achting, eerbied voor jezelf. Niet alleen is dit een belangrijk onderwerp maar ook erg moeilijk; toch kan ik er wel een paar dingen over zeggen. Ook niet-verslaafden nodig ik van harte uit mee te lezen, want het is een onderwerp voor alle mensen. Hier op aarde. Maar voordat we daarmee beginnen, laten we eerst even een paar dingen op een rij zetten, namelijk:

How many times must a man look up
Before he can see the sky?
The answer, my friend, is blowing in the wind

En dat niet alleen, want ook nog dit:

Tussen de Limburgse dorpen Thorn en Kessenich ligt het moeras Vijverbroek. De mensen zeggen dat je hier op kerstavond kerkklokken kunt horen luiden. En als de wind loeit, klinkt hier het klagende gejammer van verdronken zielen.

Tja. Misschien zegt u: ‘Gejammer van verdronken zielen, zeg Pitt, is het weer zo laat?’ Nee, lezer, het is niet ‘weer’ zo laat, want zo laat is het altijd! De wind huilt wat af, om verloren zielen. Niet alleen in moeras Vijverbroek. En trouwens, mocht de wind het een keer laten afweten, dan ben ik er ook nog. Natuurlijk huil ik om u, wanneer u het niet gered hebt en ten onder bent gegaan. Ik zou niet om u huilen wanneer u ziek was geworden en door uw ziekte geveld. Dan zou ik u zien als een boom, ooit recht en fier, groeiend naar het licht, altijd hoger, steeds flinker, maar nu kromgebogen en dor, tot er op een vroege ochtend eindelijk de wind opsteekt die u zal breken. Sterven aan een ziekte hoort er nu eenmaal bij. Maar u bent niet ziek, u bent verslaafd. En zoveel als dat bij het leven horen mag, het hoeft niet te horen bij de dood.

Gedachten over ons gevoel van eigenwaarde kwamen in mijn hoofd toen ik vorige week met een ex-geliefde in de zogeheten Hoftuin koffie dronk. Dat is achter de Hermitage, waar nu de onstuimige Catharina rondspookt, de zelfgeslepen diamant. Catharina de Grote. We zaten buiten, een dekentje over onze benen geslagen, het was behoorlijk fris. Echt herfstfris. Ik vertelde haar dat ik in mijn nieuwe nuchtere leventje steeds meer intens kan genieten van de omgang met kinderen én met ouden van dagen. Dat is toch een wonderlijke combinatie en ook een grappige ontwikkeling? Ik zei nog net niet: eigenlijk ben ik beter met kinderen en bejaarden dan met mensen.

Openhartig voegde ik eraan toe:
‘Dus dat ik hier nu met jóu zit, dat is eigenlijk, eh…’
Ze opperde: ‘Behelpen?’
Ja, dat was het juiste woord, behelpen. Onlangs was ik met een 2-jarig meisje bij mijn oude mevrouw van 89 op bezoek gegaan, in haar verzorgingshuis langs het Vondelpark. Dit eenvoudige bezoekje was niet alleen voor veel bewoners erg feestelijk, maar ook voor mijzelf. De ex-geliefde zei:
‘Ik denk dat ik wel weet waardoor jij je aangetrokken voelt tot kinderen en bejaarden. Van kinderen wordt nog niets verwacht en van bejaarden niet meer. Jij voelt je thuis bij hen doordat jouw verslaafde leven volkomen is, eh…’
Ik opperde: ‘Mislukt?’
‘Ja precies,’ sprak zij, ‘volkomen mislukt.’ Ze nam een slokje van haar koffie en knorde tevreden, vanwege haar scherpe blik op de hele zaak. Soms is het kwaad kersen eten met ex-geliefden. Ze weten je aan alle kanten te raken, zij kennen je door en door. Maar ik kan wel tegen een stootje. Dat kon ik immers óók toen ik nog dronk. In het opvangen van rake klappen was ik een hele piet geworden, dus nu ben ik dat nog steeds, oefening baart kunst. Je moet op zijn minst ook dingen leren van je verslaving. En bovendien zei ik:
‘Laten we één ding afspreken. Mijn leven is mislukt wanneer ik zeg dat het mislukt is.’

(Voor een deel dank ik deze formulering aan mijn moeder. Toen ik als jonge knaap een keer in alle redelijkheid aan haar vroeg: ‘Hee, moeder!, waarom moet ik in het weekend eigenlijk altijd voor middernacht thuis zijn? Lijk ik soms op Assepoester?’ toen luidde haar antwoord: ‘Dat moet omdat ik het zeg!’ En toen ik daarop eerlijk aangaf: ‘Ik heb helemaal geen zin om te doen wat jij zegt!’ toen sprak zij: ‘Dan máák je maar zin!’ Door deze rare manier van denken kregen mijn sociale angsten vrij spel, want ik dacht: als later blijkt dat alle vrouwen net zo gek zijn als mijn moeder, dan ben ik nog niet jarig! Dan mag ik straks nóg niks! Vandaar dat ik al vroeg de drank in vluchtte, om de nog komende pijn alvast te verzachten. Om al mijn levenspijntjes in een gespreid bed te laten landen.)

Goed, dus je leven is pas mislukt wanneer jij dat zegt. Dat spreek ik nu ook met u af: alleen ú kunt dat beoordelen. Waarmee we in deze beschouwing een belangrijke eerste stap hebben gezet. De tweede stap zal zijn: hoe weet u nou of uw beoordeling de juiste is?

Laten we, om die vraag te kunnen beantwoorden, eerst even afrekenen met een paar dingen. In de eerste plaats is dat: de behoefte om aardig gevonden te worden. Door mijn drankzucht ben ik daar lang geleden volkomen van verlost. Deze behoefte is een mooi voorbeeld van een oerinstinct waar we alleen nog maar last van hebben. Voor de holenmens kon het van levensbelang zijn, aardig gevonden worden. Daardoor kunnen we nog altijd feilloos zien of iemand ons werkelijk toelacht of alleen maar vriendelijkheid veinst. Maar in de moderne tijd heb je daar niets meer aan. Dus ook voor u geldt: let erop dat u voortaan niet meer aardig gevonden wilt worden. En ook niet onaardig. U merkt direct hoe uw sociale leven daardoor een stuk soepeler verloopt en ook: oprechter. Mensen reageren niet meer op u zoals u zich voordoet, maar zoals u ongeveer bent.

In de tweede plaats: verloren tijd bestaat niet. Verspilde tijd evenmin. Dat zei ik een keer tegen een vrouw van de receptie in het gebouw. Zij viel erg op. Ze was van een Mona Lisa-achtige schoonheid en er ging iets hartverwarmends van haar uit. Cliënten liepen weg met haar. Een enkele behandelaar trouwens ook! Ik had een tijdje voor haar balie staan wachten, er waren nog vier verslaafden voor mij. Die wilden natuurlijk allerlei gekkigheid van haar, maar ze bleef vriendelijk tegen hen. Zij verontschuldigde zich bij mij voor het lange wachten en toen zei ik dat tegen haar, over de tijd. Je kunt niet niks doen, zei ik erbij. Er is altijd iets te zien, er is altijd iets om over na te denken. Ze vond het leuk om dat zo te horen. En dat is het ook. Het is een groot geluk.

Voor de eigenlijke beschouwing komen we nu uit bij een zekere Erik Stofferis. In 2008 verscheen zijn boek De grote verdoving. Leven zonder verslaving. Ik heb het niet gelezen maar ik hoorde daar van medecliënten goede dingen over. Later zag ik hem in het tv-programma De wandeling, terugblikkend op zijn tijd als verslaafde. Een tijdlang was dat een goed gesprek, hij sprak erg openhartig over zijn vroegere leven. Toen kwam hij bij het keerpunt, het dieptepunt van zijn verslaving, alles was hij kwijt, hij had zijn rock bottom bereikt. Soms moet dat. Hij ging in behandeling. En, zo vertelde hij, vanuit de diepte brak bij hem het inzicht door: ‘Ik ben de moeite waard.’ Ik dacht: pardon? Wat hoor ik nu? Dus op het moment dat hij zijn vrouw en kinderen verkloot had, zijn werk en zijn vrienden verkloot had, op het moment dat vergeleken bij hem een worm een edel dier was en hij daarna meer dronk dan ooit tevoren, tóen kwam hij tot de ontdekking: ik ben de moeite waard. Hahaha! Nee, lezer, zó zijn we met het leven niet getrouwd. Een therapeut mag dat misschien een mooie boodschap vinden, maar aan het leven zelf moet je niet te veel onzin willen verkopen. Dat kan je een keer duur komen te staan. Dat bleek meteen al, toen hij vertelde dat zijn oudste dochter hem nog altijd niet wil zien. De interviewster: ‘Heb je daar begrip voor?’ Zijn antwoord: ‘Nee.’

Hij niet. Maar ik wel. Een verslaving blijft beslist niet ongestraft.

Als ik bij die wandeling toevallig was langsgelopen en Erik Stofferis gehoord had, zou ik hebben gevraagd:
‘Jij bent de moeite waard? Je mag er zijn? Waar baseer je dat op? Welke definitie gebruik je daarvoor? Waar voldoe jij nu dan aan? Wanneer is iemand niet de moeite waard? En wanneer wel? Welke eisen stelt jouw geest aan jou om zichzelf de moeite waard te gaan vinden? Toch niet het simpele feit dat je bestaat?’

Ik zou hem voor de zekerheid zelf het antwoord geven: ‘Jouw geest vindt jou in nuchtere toestand het begin van de moeite waard. Blijf dus nuchter. Win zijn vertrouwen terug.’

En nu precies hetzelfde verhaal, maar dan omgekeerd. In bericht 18 – stoepbloemen, schreef ik over een wanhopig cliënt in de nazorg, die zijn terugvallen niet meer in de hand had. Heel duidelijk zag hij wat er nu op hem af kwam, hoe alle ellende opnieuw zou beginnen. Hij zei tegen ons: ‘Ik voel mij zo verschrikkelijk waardeloos, zo helemaal niets.’ Tegen hem zeg ik hetzelfde: ‘Jij bent niets? Je mag er niet zijn? Waar baseer je dat op? Welke definitie gebruik je daarvoor? Waar voldoe je nu niet aan? Wanneer is iemand dan wél wat? En wanneer niet?

Jezelf de juiste vragen stellen en goed kijken, daar gaat het voortdurend om. Niet alleen was hij naar de kliniek gegaan, hij speelde ook nog in een bandje en was vrijwilligerswerk gaan doen, in een grote buurttuin. In dat opzicht had hij al heel wat bereikt. Waarom zag zijn eigen geest dat dan niet? Die zag dat natuurlijk wel, maar die zag ook nog iets anders: je kunt alles wat goed gaat uitstekend gebruiken om terug te vallen. Hij had die middag een opname met zijn band gemaakt en was erg blij geweest met het resultaat. Op weg naar huis dacht hij: met wat drank erbij geniet ik nóg meer van het terugluisteren! En hij blokkeerde de gedachte: als ik die drank ’s ochtends al gekocht had, was er helemaal geen opname geweest.

Het kleine meisje en mijn oude mevrouw. Je kunt je gevoel van eigenwaarde een grote boost geven door iets te gaan betekenen voor iemand, eindelijk weer. Dus doe eens wat, voor een ander. Elke vrijwilligerscentrale zit momenteel te springen om jou. Je krijgt er iets voor terug: respect voor jezelf. Kijk maar naar mij. Ik moest erom grinniken toen ik merkte dat ik na het schrijven van 18 — stoepbloemen ook zélf in de stad opeens bloemen tussen stoeptegels zag groeien! Goed gedaan, Pitt, dacht ik toen. En nog weer later volgde een tweede verrassing: ook Banksy kent het stoepbloemen meisje.

Pitt
stoepbloemen6

27 — heliocentrisch

heliocentrisch01

In den beginne – en lang daarna ook nog, tot in de late middeleeuwen – dachten de mensen hier op aarde dat wij met onze planeet in het middelpunt van het heelal stonden. Alles wat maar een beetje kon bewegen, bewoog zich in een baan om de aarde. Alles draaide om ons. Nu kan ik weliswaar de aard van een dergelijke gedachte goed begrijpen, zeker als ex-verslaafde, maar toch neem ik het voor deze mensen op: wat moesten zij anders denken? Zij zagen de zon opkomen en weer ondergaan en ’s nachts deden de sterren hetzelfde. Het wachten was op Copernicus – die ons opeens om de zon liet draaien – en daarna kwam Galilei, die eventjes onze hele Melkweg in een buitenwijk van het heelal parkeerde. Niks middelpunt! Je moet wel héél erg positief denken om dat allemaal nog leuk te kunnen vinden. Wat een teleurstelling! Toen ik nog dronk dacht ik weleens: hebben die twee zich niet domweg vergist? plop! Ik schonk dan nog eens in, en dan klokklok, en ik zei tegen mezelf: ‘Is de mens – zoals ikzelf bijvoorbeeld – immers niet de kroon op de schepping? hik! Waar anders, dan in het midden van het heelal, zou onze plaats moeten zijn?’ klokklok – hik! Het antwoord op die vraag kwam telkens van het leven zelf: luister even Pitt, niet het midden van het heelal, maar het midden van een detox, dát is jouw plaats!

Weet ú het nog, van de middelbare school? Waar baseerden Copernicus en Galilei hun ideeën op? Wat zagen zij dan, dat anderen kennelijk niet zagen? Niets, zij zagen hetzelfde als iedereen, alleen keken zij veel dieper en intenser, en stelden de juiste vragen. Dat was in feite alles. Dat is in feite heel vaak alles. Kunnen kijken, kunnen vragen. Kunnen doen.

In bericht 26 — Comeback Kid tekende een van de Zes bezwaar aan, tegen wat hij noemde: mijn ‘afgeven’ op de Jellinek. Ik zou dat woord zelf niet hebben gebruikt, ‘kritiek’ lijkt me wel wat reëler, maar waar baseerde MiK zijn bezwaar op? Wat zag hij dan, dat ik niet zag? Dat is dit. Hij is nu bijna twee jaar abstinent. Onlangs trakteerde hij ons, de zes mannen, op een halve pudding-kruimelvlaai van Albert Heijn, à 2,99 euro het halve stuk, een traktatie vanwege: 100 weken droog! Thuis werkte hij dat uit in een formule: 100 w = ½ v + 2,99Zo zit hij de hele dag met getallen te dollen. Want ja, een man moet toch wat? De Jellinek hielp hem om nuchter te worden en nuchter te blijven. Dus hij denkt: wat goed was voor míj, dat is goed voor iedereen. Klaar. Hijzelf als middelpunt, alle anderen draaien daaromheen. Het is juist deze manier van egocentrisch denken, die de verslaafde van zich af moet schudden. Verslaafden ‘in herstel’, zoals dat heet, moeten leren in the box te denken.

Moeten? Ja, moeten. Verslaafden moeten dingen, vergeet het anders maar. Voor niks gaat de zon op.

In the box: dat is denken binnen bestaande denkkaders, de verslaafde is nu immers een duveltje ín een doosje, hij moet weer meedoen met groepsdenken. Een groot deel van mijn kritiek op de Jellinek gaat precies dáár over: dat wordt hem heel erg moeilijk gemaakt. In het gebouw is nauwelijks sprake van groepsdenken, noch van enig groepsgevoel of groepsdruk, want de een na de ander valt om, gebruikt zijn middel gewoon tijdens zijn behandeling. Dat mag hij dus drie keer doen. Niemand neemt zijn eigen groep serieus. Je blijft gevangen, je bungelt maar wat, als een vlieg in een web, en dat web is je eigen ik. Dat ongelofelijke, waardeloze ik! Correct is: wij. Die groep, daar moet de cliënt het nu juist zo verschrikkelijk van hebben. Die trekt hem mee, omhoog, juist ook wanneer hij dreigt te wankelen.

Je kunt zeggen, zoals MiK doet: ‘Zeg eens Pitt, waarom moet je daar de lezer mee lastig vallen? Je wilt verslaafden toch een hart onder riem steken?’ Ja. En dat blijf ik ook doen. Ik heb nog veel te melden wat van belang is. Maar ik ben me tijdens mijn opname in 2015 volkomen wezenloos geschrokken. Van de Jellinek, van de verslavingszorg in Nederland. Moet ik daar, zoals MiK suggereert, over zwijgen? Wat is deze blog dan waard?

Twintig jaar geleden. De Jellinek leefde, sprankelde soms zelfs, was avontuurlijk en allesbehalve bang. De Jellinek was precies zoals het wilde dat cliënten zouden worden. Nu voelt het gebouw steriel, zwaar geprotocolleerd en vooral: angstig. De Jellinek vóelde als een zorginstelling, nu voelt het als een productiebedrijf. Ik ben het eens gaan terugrekenen: hoeveel terugvallen – die stuk voor stuk uitgebreid in de groep besproken werden, ook in de nazorg – hoeveel terugvallen maakte ik nu eigenlijk mee? Dus tijdens mijn drie maanden dagbehandeling en een jaar nazorg. Ik kom op: rond de 55 terugvallen. MiK beschreef zijn 1 kilometer bier, die hij na zijn ontslag uit de kliniek niet dronk. En ik beschrijf nu 55 kilometer terugvallen, waar ik vóór mijn ontslag langs moest. Dat was spitsroeden lopen. En hoeveel terugvallen maakte ik mee tijdens mijn vier maanden Heinzekliniek, met verplicht weekendverlof, in 1995? Twee. Twee cliënten werden na urinecontrole gesnapt en moesten de kliniek verlaten. Dat waren twee goede kerels, maar toch waren we blij dat ze vertrokken. Met de boodschap: meld je opnieuw aan, kom terug en doe het beter. Een van hen deed dat ook.

Hoe verwacht de Jellinek dat ik abstinent blijf in de setting die het nu aanbiedt? Abstinentie, daar gaat het toch om in een verslavingskliniek? Nee, daar gaat het allang niet meer om. In werkelijkheid verwacht de Jellinek niet dat ik nuchter blijf.

De goede behandelaar Martin reageerde eerder op deze weblog met de opmerking dat de Jellinek echt geen geschreven regel heeft die zegt dat je in de kliniek driemaal terug mag vallen. Dat is waar. En kennelijk ziet hij niet hoe kwalijk dat is. Op hun website lees je er niets over, in brochures ook niet, tijdens de intake vertellen ze er niets over, je komt er pas achter wanneer die golf ‘uitglijders’ over je heen spoelt. Die golf wordt gedoogd. Die terugvallen horen erbij, zo krijg je opeens te horen, van álle behandelaars. Want de cliënt moet zo snel mogelijk zijn verantwoordelijkheid leren nemen. Ook wanneer hij die nu juist niet kan nemen? Ja, dan ook. Dit druist dusdanig in tegen elke vorm van gezond verstand – je geeft een kind ook geen geladen pistool – dat ik nog tijdens mijn behandeling op zoek ging naar het antwoord op de vraag: wat was de werkelijke reden achter dit bizarre gedoogbeleid?

Ik vond een dik, droog en bijna technisch boek, Ondernemend in kwaliteit. De casus Jellinek, uit 2005. Het gaat over de omslag die de Jellinek maakte, rond de eeuwwisseling. Het centrum veranderde volledig en werd toen wat het nu is. Ik las het boek en toen, eindelijk!, begreep ik waarom de terugvallen opeens werden toegestaan, dat was ergens in 2003.

Het gedoogbeleid is ingevoerd omwille van de behandelaars, niet omwille van cliënten. En alleen dán slaat het ook ergens op! Het gedogen is het gevolg van een oud probleem waar de Jellinek vanaf de oprichting mee kampt. Namelijk: wie langere tijd als behandelaar in de Jellinek werkzaam is, krijgt een hekel aan verslaafden.

Als ik nu toch iets begrijpelijk vind, dan is dat het wel. Natuurlijk, zij krijgen betaald, het is hun werk. Maar vooral behandelaars die zich betrokken voelen, krijgen het zwaar. Maandenlang stop je tijd en energie in iemand, je gebruikt je talenten, je vasthoudendheid, overredingskracht, empathisch vermogen, en kort na zijn behandeling loopt de cliënt met opgewekt gemoed de kroeg weer in. Of gaat op theevisite bij zijn dealer. Op den duur krijg je een hekel aan hem. Het rauwe deel van een verslaving breekt de behandelaar op. De diepe aard en kern van een verslaving is onmenselijk, daar loopt hij vroeg of laat tegenaan, dat moet hij zich wel realiseren.

Onmenselijk, in elke betekenis van het woord. In evolutionaire zin: de menselijke soort is er volledig op gericht te overleven. De verslaafde is erop gericht ten onder te gaan en dan te sterven. In platte zin: het gezicht van een verslaving is lelijk, vies en goor. Heeft niets menselijks. Het boek Onder de vulkaan van Malcolm Lowry eindigt met de zin, nadat de altijd dronken consul in een afgrond is geworpen: ‘En ze gooiden hem een dode hond achterna.’ In figuurlijke zin: de verslaafde mens verliest al zijn natuurlijkheid, zijn waardigheid, gevoel van eigenwaarde, wilskracht, zijn vermogen tot liefhebben, zijn verstand en emoties… en eindelijk ook zijn trots. Hij verontmenselijkt.

Dat behandelaars een hekel aan verslaafden krijgen, is door een kliniek alleen maar te voorkomen door te kiezen uit twee kwaden:

  1. Moedig de behandelaar aan om na een jaar of tien ergens anders te gaan werken. Had je het bij ons naar je zin, was je goed in je werk, kom dan na paar jaar terug.
    Of:
  2. Haal de terugvallen in huis, loods ze naar binnen, breng ze de kliniek in. Vertel de behandelaar dat dit normaal verslavingsgedrag is, het hoort erbij. Het past bij het herstel van de cliënt. Hamer er bij de behandelaar op dat verslaving een ziekte is. En dat het eerder al in DSM-IV stond opgenomen, het handboek uit de psychiatrie. Vertel hem of haar ook dat een verslaving cyclisch is, het komt telkens terug. Zorg ervoor dat hij nergens van opkijkt. Met andere woorden: leg de lat laag. Voor de behandelaar.

Ikzelf zou het niet in mijn hoofd halen tegen wie dan ook te zeggen: verslaafden zijn ziek en hebben een psychische stoornis. Met niets anders dan de mening van een aantal wetenschappers om die bewering te staven. Ben ik mijn brein omdat dokter Swaab in zijn boek Wij zijn ons brein zegt dat ik mijn brein ben? Laat de nobele dokter liever een boek schrijven met de goudeerlijke titel: Ik ben een psychopaat. Ja, dán willen wij hem geloven! Met een klopje op de schouder: komt wel weer goed, hoor Swaab. Misschien in paviljoen drie. Wie bewustzijn en vrije wil ontkent, is ronduit geschift.

Natuurlijk kan de Jellinek zeggen: ‘Ja maar Pitt, die terugvallen komen in veel gevallen tóch, dus liever in de kliniek, dan kunnen we daarover praten. En het analyseren.’ Daarmee zou de Jellinek inderdaad een punt hebben. Alleen: de prijs die daarvoor betaald wordt, is erg hoog. Veel te hoog. Wie betaalt die prijs? Zijn dat de niet-verslaafden? De wetenschappers? Zijn dat de behandelaars, de psychologen, de beleidsmakers, de artsen, de directie, het bestuur, de zorgverzekeraars? Nee, dat zijn wij, wij betalen die prijs. De veilige haven die de Jellinek was, is weg. De rauwe werkelijkheid is: de Koning heeft zijn weg naar binnen gevonden…

Ik heb altijd veel ontzag voor de Koning gehad, en nu nog meer.

Daarom ga ik de Jellinek een aanbod doen! Er moet toch nog iets te redden zijn? En laat ik het nu eens ietsje persoonlijker maken, dan kan ik eindelijk even afstappen van het schrijven over ‘de Jellinek’. Ik doe mijn aanbod rechtstreeks aan Wencke de Wildt, de huidige directeur behandelzaken. Dat is zij nog niet zo lang. Wencke is voor mij een interessante vrouw. Zij begon haar carrière bij de Jellinek in 1999, een paar jaar nadat ik de Heinzekliniek verliet. Die heeft zij dus nog gekend… daar moet ze rondgelopen hebben, wat hebben rondgekeken. Toen ze bij de Jellinek kwam, zag zij toen, als in een toekomstdroom of visioen: ‘Er komt een tijd dat ik directeur ben in dit gebouw… en wanneer dat gebeurt, dan zal alles anders zijn… de Heinze weg, de Vrouwenkliniek weg, de JOS weg… creatieve therapie weg… ontspanningsoefeningen en mindfulness weg… groepsgesprekken weg… de grote familieavonden weg… de centrale keuken weg… abstinentie als doel met de kliniek als middel, weg… de eindeloze reeks terugvallen naar binnen gehaald… de KBO bijna helemaal opgedoekt… de nazorg gehalveerd… ja, zo zal het gaan en dán is het goed.’ Nee, ik denk niet dat zij dat dacht. Maar zo ging het wel. Hoorde zij toen tegelijkertijd een innerlijke stem, die tegen haar zei: ‘Wencke, er komt ook een tijd dat iemand jou publiekelijk zal vragen: waarom zijn drie terugvallen toegestaan, waarom niet vijf, waarom niet tien?’ Die stem zag het goed en die tijd is nu. Hier ben ik. Waarom drie, waarom niet vijf, waarom niet tien? En vooral: waarom niet nul…

Maar ook: jij was erbij toen de dagbehandeling kwam en ook de e-health en dat waren natuurlijk uitstekende ideeën. Daarom zeg ik: goede Wencke, ik heb ook een uitstekend idee. Zonder twijfel zal het jou aan het hart gaan dat er in de nazorg nooit meer ex-cliënten komen. Ooit kwamen ze maandelijks. Dat is allemaal weg. Ex-cliënten die een groep vertelden hoe het hun gegaan was, hoe moeilijk het soms was, hoe gemakkelijk het steeds meer werd. Dat de mens een gewoontedier is, hij raakt gewend aan niet-gebruiken. Daarom bied ik je aan: de Zes. Ik bied je zes mannen aan! Je kunt er telkens één krijgen, of twee tegelijk, wat je wilt. Jong, midden of ouder. Hoe vaak krijgt een directrice nu zó een aanbod? Wij zijn vorig jaar in jóuw kliniek ontwaakt en klaargestoomd, door jouw behandelaars behandeld, wij zijn helemaal jouw bloedgroep. We zijn: geheel de uwe. Neem ons!

Misschien zeg je nu: ‘Oké, maar jij komt er niet in, meneertje ex-drankorgel Pitt Hamson!’ Dan zeg ik: ‘Best, dan zijn er nog vijf!’ Ik ben tamelijk begripvol, we hebben het nu over verslavingsland en daar gebeuren nu eenmaal rare dingen. Bijvoorbeeld: een kliniek in herstel.

Pitt

26 — comeback kid

comeback-kid-03

Grappige band, uit Canada. Hun muziek doet enigszins aan deze weblog denken: stevig, soms lawaaiig, mét een boodschap. Althans, voor zover je ze kunt verstaan. Ze werden in de hardcore scene uitsluitend via mondreclame populair, iets waar ikzelf op deze plek tevergeefs op hoopte. Zelfs de titels van hun nummers lijken aan te sluiten bij het thema van deze weblog: Wake the dead, als ook Die tonight, of bijvoorbeeld Defeated. Maar vooral het nummer Symptoms and cures. Dat laatste ís eigenlijk deze blog. En ten slotte nog de naam van de band: de Comeback Kid. Want ik ben er weer.

Eerlijk gezegd, als ik deze weblog als lezer had gevolgd en zou hebben meegemaakt hoe de schrijver er opeens vandoor rende, dan had ik het wel geweten: hij drinkt weer. Het zou me wél hebben verbaasd, want zo had hij niet geklonken. En stel dat dat wáár was geweest, ik dronk weer, zou ik dat hier gemeld hebben? Of nú melden? Echt een moeilijke vraag! En gelukkig volkomen hypothetisch. Waarschijnlijk had ik dan afscheid genomen en alleen maar tegen u hebben gezegd: ‘Alles wat ik hier opschreef, was volkomen waar. Het had alleen niet uit mijn mond mogen komen, niet uit mijn pen.’ Vergelijkbaar met Joost Zwagerman: de geschriften waarin hij tekeer ging tegen zelfmoord hadden niet door hém geschreven mogen worden. Maar soms glipt er weleens iets doorheen, de goden letten dan niet goed op. Of hebben hun eigen bedoelingen. Bijvoorbeeld om te laten zien: denk niet te snel dat je veilig bent, voor de negatieve kracht van een depressie. Of een verslaving. Denk daar nooit gemakkelijk over, een dergelijke veiligheid is allesbehalve vanzelfsprekend. Kijk maar naar Joost, kijk maar naar Pitt. De een is dood, de ander dronken.

Met dít verschil: de een is inderdaad dood, maar de ander is nu bijna twee jaar nuchter! Abstinent. Nog twee maanden te gaan. Eerder telde ik zelden of nooit, maar nu voelt het wel lekker om de jaren te kunnen gaan bijhouden. Als een ontsnapte gevangene, die niet zijn gedwongen verblijf, maar wel zijn jaren in vrijheid in een muur kerft. En hij was onschuldig! Nou ja, min of meer. In zekere zin.

Het lag wel voor de hand dat ik de draad hier weer zou oppakken. Er was enige druk van buitenaf om dat te gaan doen, en ook van binnenuit. En er was de lezer die op het laatste bericht reageerde met de terechte uitroep: ‘Pitt schreef in zijn berichten erg vaak: daar kom ik nog op terug. Nou, doe dat dan!’ En opeens was er ook MiK.

MiK is een van de Zes.

Ik schreef al over ze. Vanuit de nazorg in de Jellinek, lukte het ons een groepje van zes man te formeren, we komen nog altijd bij elkaar, eenmaal in de twee weken. Nu een half jaar lang. Hoe dit idee geboren werd, wat het veroorzaakte, daar kom ik later nog op. Natuurlijk weer iets schandaligs, dat ons  overkwam. Plus: het zijn stevige kerels, alle zes nu rond de twee jaar abstinent. We spreken over: vijf alcoholmaniakken en een drugsidioot. Met ons moet je dus niet fucken. Tussen de 23 en 64 jaar, met van alles daartussen in. Oorspronkelijk hadden we ook een vrouw, maar zij haakte meteen al af. We delen een belangrijk inzicht: mensen als wij, we zijn ten dode opgeschreven, tenzij…

Ik hoop dat we nog lange tijd bijeenkomen, ik vind het een prachtig idee om hen van zo nabij te kunnen volgen. In bericht 24 — taal, trauma en onderzoek schreef ik: wie alcoholisme werkelijk wil begrijpen, moet kijken naar degenen die zich ervan losscheurden. Hoe deden zij dat? En waarvan maakten zij zich los?

Zij weten dat ik af en toe over de Zes ga schrijven en ze weten ook dat ik soms niet mals ben in beschrijvingen van mensen. Ik kan snel oordelen. Daar is niets aan te doen en bovendien moet dat ook. En trouwens, mocht een van hen vervelend gaan doen, dan publiceer ik hier gewoon zijn 06-nummer, om te beginnen. Maar zover zal het niet komen.

MiK noemde ik al eens, hij is de maquettebouwer, tevens getallenman. Natuurlijke getallen, gehele getallen, reële getallen, fijngehakte getallen, noem ze maar op. Hij stuurde me een brief, een oproep om terug te komen. Ik eindig dit bericht ermee, hieronder. Het is wel goed om ook eens een andere stem te laten horen. Ik denk dat ik nu elke twee weken met een nieuw bericht kom, dat gaat wel lukken. Het moordende tempo van één per week, waar ik mee begon, dat haal ik niet meer.

 Pitt

Wie schrijft die blijft  
003

Die Brad Pitt toch! Of nee. Hoe heet ie ook al weer? Pit Handschoen? Zoiets! Mijn geheugen is niet meer wat het is geweest. Het was al niet veel, maar die sloten alcohol van de afgelopen dertig jaar hebben er nog behoorlijk wat van af weten te eroderen. Kom, hoe heet ie nou? Pitt Hamson, nu weet ik het weer. Die Pitt Hamson toch! Gestopt met z’n blog omdat ie te weinig lezers heeft. Vindt hij dan. Ik vind mezelf als lezer al genoeg. Al schreef hij alleen maar voor mij, dan was het al goed. Ik genoot elke week van zijn schrijverij. Alleen al de manier waarop hij het schreef was iets om naar uit te kijken. Wat ie schreef soms ook, maar soms ook niet.

Dat afgeven op de Jellinek bijvoorbeeld. Daar was ik het lang niet altijd mee eens. De Jellinek heeft voor mij precies gedaan wat het moest doen. Althans, dat denk ik nu. En dat denk ik al meer dan 22 maanden. Zo lang heb ik al geen druppel meer gedronken. 704 dagen om precies te zijn. Dat zijn zeker 14 duizend drankjes die ik niet heb genomen. 

Probeer het je eens voor te stellen: 14 duizend drankjes. Dat is bijna niet te doen. Ik help een handje. Neem bijvoorbeeld bier. Hoeveel is 14 duizend bier? Iedereen heeft wel eens gehoord van een meter bier. Meestal zijn dat 13 glazen bier op een rij. Dan is 14 duizend bier ruimschoots meer dan een kilometer. Een kilometer bier!

Of vergelijk het met een ‘gewone’ drinker. Iemand die op vrijdag- en zaterdagavond twee à drie biertjes drinkt. Zo iemand doet er meer dan 50 jaar over om 14 duizend drankjes tot zich te nemen. Ik deed dat dus in 704 dagen. En nu dus 704 dagen niet.

En het scheelt echt een slok op een borrel want als je die 14 duizend biertjes namelijk allemaal in een Amsterdamse kroeg bestelt, dan ben je een modaal jaarsalaris kwijt. En niet netto maar bruto. Dus het levert niet alleen winst op voor mijn gezondheid maar ook voor mijn portemonnee.

Nu is dat laatste natuurlijk niet echt waar. Als ik 704 dagen geleden niet in de Jellinek was opgenomen maar gewoon was door blijven drinken in het tempo dat ik had, dan weet ik eigenlijk wel zeker dat ik er nu niet meer was geweest. Dan was ik allang dood geweest. En omdat een dode bar weinig drinkt, zou ik die 14 duizend drankjes nooit hebben gehaald. Dus die winst die ik mezelf toereken, is eigenlijk een schijnwinst. Toch is het leuk om te kunnen zeggen dat ik 14 duizend drankjes niet heb gedronken.

Ik weet dat ik het zelf heb gedaan. Ik heb zelf die drankjes niet gedronken. Maar dankzij de hulp van de Jellinek is het me gelukt. Ik ga dus niet afgeven op de Jellinek, maar ik wil die juist aanraden aan al die mensen die ook bovenmatig drinken. Ik zie om me heen te veel mensen die geen ‘gewone’ drinker zijn en die wel wat hulp kunnen gebruiken. Dat vind ik. En dat vindt Pitt ook want dat was zijn drijfveer om een blog te beginnen. Daar is hij dus mee gestopt omdat hij vond dat er te weinig lezers waren. En dus niet omdat zijn drijfveer weg was. En dus is het zaak om Pitt weer aan het schrijven te krijgen.

Toen hij net was gestopt, vroeg hij mij of ik af en toe een gastcolumn wilde schrijven voor zijn blog. Ik heb daar lang over nagedacht en ben nog steeds niet tot een eenduidig antwoord gekomen. Ik heb nu dit geschreven. Als je dit leest, heeft Pitt het dus op zijn blog geplaatst. Als je dit niet leest, dan uiteraard niet. Dan heb ik dit geschreven voor één lezer, namelijk Pitt. Dat kan dus. Je kunt dus iets schrijven voor één lezer. Dat doe ik overigens wel vaker en Pitt weet dat. En wat mij betreft schrijft Pitt ook maar voor één lezer, namelijk ik. Dus Pitt, begin weer alsjeblieft! Wie schrijft die blijft. Toch?

MiK

25 — afscheid & vertrek (slot)

Tadeusz Kantor -- Edgar Warpol

Het wordt tijd om afscheid te nemen, ik bedoel, dat ik afscheid neem van u. En wij dus van elkaar. Het aantal lezers loopt sterk terug, het gevaar ligt nu op de loer dat ik straks maar wat in mezelf zit te ouwehoeren — wat ik nog niet eens zo erg zou vinden wanneer ik dat hardop deed, zoals dat tijdens de dagbehandeling thuis weleens gebeurde, om de maalstroom van gedachten te ontluchten — en in jezelf praten op papier is weliswaar precies wat iedere schrijver doet, maar die zet het dan niet op internet waar vervolgens niemand het leest. De hele wereld heeft toegang, dag & nacht, nog gratis ook, maar niemand kijkt, niemand ziet het. Dat is eigenlijk nogal wat! Father McKenzie schreef zijn preken tenminste nog voor een lege kerk, dat is overzichtelijk, daar zou ik misschien wel vrede mee hebben, dan weet je precies wat je mist, tot op de laatste kerkbank nauwkeurig.

Dit is bericht 25, het kan zijn dat dat in aantal genoeg is, dat het op een natuurlijke wijze voldoende is. Er valt nog veel te zeggen, over verslaving in het algemeen en ook over die van mijzelf, maar hetgeen tot nu toe door mij gezegd is, is misschien al dermate volledig dat de belangstelling sterk afneemt. De nieuwsgierigheid bevredigd.

Ik probeerde nog om wat meer lezers te trekken door een glossy verslavingsmagazine te vragen enige aandacht aan deze weblog te besteden, het schrijven van een korte recensie, en dat wilde de redactie graag doen maar stelde daarbij zo’n krankzinnige voorwaarde aan mij, dat ik me direct terugtrok. Mijn hemel, wat een wereld. Ik denk dat ik het nu een beetje gehad heb met die wereld rond verslavingen, met zijn wilde principes en onwrikbare en soms eigenaardige standpunten, kortom, het is tijd om weer verder te trekken. Ik schreef al eens: ik ben iemand van aankomst en vertrek. Door mijn drankzucht dreigde ik geheel te verdwijnen, zonder ooit nog ergens op te duiken of aan te spoelen, maar dit gevaar lijkt nu afgewend. Dat heb ik aan mijzelf te danken, maar zonder de Jellinek was dat zeker niet gelukt. Zoek hulp!, dat was steeds het credo van deze weblog.

Ik laat de blog nog een tijd staan, wie weet heeft iemand er nog eens baat bij. Mochten er een half jaar lang geen bezoekers meer komen, dan beschouw ik hem als uitgestorven. Ook denk ik erover om nog met een epiloog te komen, immers, als ik een lezer van deze weblog was geweest, zou ik heel erg benieuwd zijn naar het antwoord op de vraag: hoe gaat het met die zes!? Ik noemde ze in bericht 24 — taal, trauma en onderzoek. Aan de andere kant realiseer ik me nu dat wellicht alleen ik daar benieuwd naar zou zijn.

Het teruglopen van het lezersaantal doet me denken aan de tijd dat ik gitaar speelde in een band, dat was in een ander leven — hoeveel levens heeft een mens wel niet?, het gaat maar door, het één sluit je af, het ander dient zich aan, althans zolang de voorraad strekt, althans zolang je dat nog wilt — en uit de tijd in mijn band herinner ik me nog een paar regels uit een oud nummer over een gitarist, Guitar Man geheten.

Then the lights begin to flicker
And the sound is getting dim
The voice begins to falter
And the crowds are getting thin

En nu, op deze plek, is er maar één regel waarmee ik afscheid kan nemen, een regel die voldoende kracht bezit en voldoende waarheid bevat. Namelijk:

U, verslaafde, ik vind u een bijzonder mens.

Helaas kunt u zo niet blijven, het moet afgelopen zijn. Maar bijzonder wás u! Natuurlijk plukte u stoepbloemen, dat is nu precies wat u al die tijd deed! U plukte ze alleen op de verkeerde plek.

Pitt
stoepbloemen4

24 — taal, trauma en onderzoek

bax1

Toen ik aan de dagbehandeling in de Jellinek begon — de oorlog tussen mij en mijn verslaving brak uit op dinsdag 9 december 2014, om negen uur in de ochtend — en de maalstroom van gedachten en gevoelens flink op gang kwam, toen ging er van alles door mijn hoofd, behalve één ding: de taal die in de kliniek werd gesproken. Het jargon. Van zowel de ene groep als de andere, behandelaars en cliënten. Eigenlijk lette ik er nauwelijks op, de taalverschillen tussen twintig jaar eerder en nu, de nieuwe uitdrukkingen, woorden, omschrijvingen. Dat ik hier een beetje aan voorbijging, daaraan zie ik nú pas hoezeer ik in beslag genomen werd door maar één ding: het afsluiten van een lange periode van drinken. Daar was ik voor gekomen en daar zou ik mee naar huis gaan. Dat stond vast. Het kan zijn dat een lezer nu zegt: ‘Hoe kan dat nou vast staan?’ Welnu, daarover heb ik vrolijk nieuws! Ik ben een onderzoek begonnen, naar het antwoord op precies deze vraag: hoe kan dat.

Dit onderzoek is tweeledig: ten eerste ga ik de vraag onderzoeken waar dat vaststaan vandaan komt en daarna kom ik met een vervolgonderzoek: hoe gaat het verder met die figuren bij wie dit kennelijk vaststond, hoe loopt het met hen af? Daarvoor heb ik nu een groep van zes mensen, alle zes abstinent geworden én gebleven in 2015 in de Jellinek. Ik zou het mooi vinden wanneer de Jellinek zelf zoiets deed, ik zou het mooi vinden wanneer een kliniek wat initiatief toont, een keer met iets komt, zo’n groepje eens grondig zou bekijken en volgen in de tijd, maar wat er niet is, moet je zelf creëren.

Opeens schiet me nu een zin te binnen, die ik las in het boekje U bent hier niet voor de lol. Geschreven door Eugène Guljé, met als ondertitel: Verhalen over de Jellinek. Het werd me onlangs toegestuurd door een erg goed mens. Hij vangt muizen op een muisvriendelijke manier, met een lang touw dat dwars door zijn huiskamer loopt, en nog een paar rare dingen. Maar daar gaat het nu niet om. Het gaat om Zuster Leen Timmer, drijvende kracht in de vroege Jellinekdagen, adjunct-directrice. Het is heerlijk over haar te lezen, een vrouw die drankzuchtigen ontzag inboezemde. De uitspraak dat je hier niet voor de lol bent, is uiteraard van haar. Zij kon net zo vriendelijk zijn als erg dwingend. Deze beide eigenschappen werken bij verslaafden enorm goed, natuurlijk. En in die dagen, nu niet meer, hield de Jellinek zo lang mogelijk contact met afgezwaaide cliënten, gewoon door hen af en toe op te bellen. De zin die mij trof, luidt: ‘Het vervulde cliënten met trots wanneer zij nog slechts éénmaal per jaar door Zuster Timmer gebeld werden.’ Want dan ging het blijkbaar al een tijdlang goed met hen. Waarom treft mij dat? Omdat het zo verschrikkelijk eenvoudig is om te doen, regelmatig even bellen, en omdat ook ik blij zou zijn om eenmaal per jaar te kunnen zeggen: ik drink nog altijd niet. Juist tegen de Jellinek. Omdat het ook mij zou stimuleren om door te gaan, mocht ik toch een beetje wankelen. Het treft me omdat het zo heel erg jammer is dat de eenvoudigste dingen uit een eerdere tijd geruisloos verdwenen zijn. Dat geldt ook voor het uitnodigen van ex-cliënten in de kliniek. Misschien was het opbellen van Zuster Timmer niet langer evidence-based. Misschien ‘schond’ het de privacy van cliënten. Die nu allemaal op Facebook en Twitter zitten.

Eigenlijk denk ik dit: als het zo is dat slechts 10 procent van de cliënten het redt en 90 procent niet, richt dan je volle aandacht op die 10 procent. Daar moet je zijn, wil je ook maar iets van een verslaving begrijpen. De talloze hersenscans leveren mooie kleurenplaatjes op, maar zeggen bijna niets. In een verslaving blijven hangen is niet moeilijk, jezelf eruit trekken is iets anders en dat is dan ook de kern van mijn onderzoek: wat kenmerkt deze zes mensen? Wat verbindt hen? Wat hebben ze gemeen? Hoe zien zij een verslaving? Wat doen of deden zij eigenlijk om zich daar aan te ontworstelen? Wát lukt hen nu precies?

Ik weet nog goed dat ik tijdens de nazorg naar mijn eerste nuchtere verjaardagsfeestje moest. Móest, ik dwong mezelf, maar ik wilde niet. Ik kende alleen de gastvrouw, het kon dus ook niet erger zijn dan zo. Toen ik daar was en tegen een muur geleund stond, wachtte ik tot iemand naar me toe kwam om met me te praten, maar dat gebeurde helemaal niet, zodat ik wel op een bank moest plaatsnemen — en toen zat ik naast een vrouw, zij was kunstenaar en vertelde dat zij nu ‘mindful’ stillevens schilderde, hetgeen inhield dat zij een stilleven opzette, een gordijntje ervoor hing en het dán pas op doek vastlegde, een gespreksonderwerp dat ik met wat drank op wel leuk gevonden had, waarna ik haar later misschien had gevraagd: ‘Zeg eens, kunstvrouwtje, welke dingen kunnen mensen nog meer mindful doen?’ knipoog knipoog, omdat dat nu eenmaal het eerste is waar een man aan denkt, zijn mind zit er full mee, althans de mijne, ook al zou dat betekend hebben dat wij dan ieder apart achter een gordijntje hadden gelegen, maar misschien is dat eigenlijk heel spannend en bovendien, nou ja, je moet toch wat? — toen hoorde ik een man tegen een paar mensen zeggen: ‘Iedereen kan leren tekenen.’ Het was een beetje een kunstenaarsfeestje. Natuurlijk kan niet iedereen leren tekenen. Ik liet dat gesprek echter lopen, ik had nergens zin in. Toen dacht ik wél: ‘Iedereen kan abstinent worden en blijven, iedereen. Het is geen kwestie van geluk, kracht of talent. Maar van wat dan wel?’ Eigenlijk werd mijn onderzoek daar geboren, op dat feestje.

Nu kan het zijn dat een lezer uitroept: ‘Een onderzoek onder zes mensen? Hahaha! Make my day, punk!’ Maar daar heb ik wel een antwoord op. Het gebeurde in de gymzaal van het gebouw, we kregen daar een soort algemeen onderricht, van een speciale therapeut. Hij deed het goed, vertelde iets over traumaverwerking. Totdat ik in de groep een geheel nieuw en eigen inzicht lanceerde. Namelijk, ik zei: ‘Drankzuchtigen kúnnen geen last van trauma’s hebben.’ Zijn wenkbrauwen gingen omhoog. Ik lichtte het toe. Dat dit zo is, dat komt doordat drankfiguren thuis de hele dag over van alles en nog wat zitten te snikken. Alle tegenslag in hun leven — in de huidige tijd zijn tegenslag en trauma aan elkaar gelijkgesteld — hebben zij allang verwerkt. Ga maar na: zo’n verslaafde komt thuis, met in zijn boodschappentas de heerlijkste flessen, in zijn keukentje doet hij eerst plop!, in de woonkamer doet hij vervolgens klokklok, goed zo, en allemaal tot je dienst, maar hij wil er ook wat muziek bij en begint met It’s raining in my heart, van Lee Towers. Daar komen de eerste tranen — hij denkt terug aan de eerste liefde in zijn leven, het nog zo prille begin van alle dingen die hij later kwijt zou raken — en dan gaat hij bijvoorbeeld verder met Purple Rain van Prince. En nu komt zijn moeder in zijn gedachten, wat een onvoorstelbaar verdriet heeft hij haar gedaan! Zelfs bij haar begrafenis ontbrak hij, stomdronken als hij was. Snikkend zit hij in zijn stoel, het hoofd op de borst gezonken. En dat jarenlang. Nee, zo’n figuur heeft echt nergens meer last van, hier kan geen trauma tegenop. Wat zei de therapeut toen ik dit over het voetlicht bracht? ‘Sorry Pitt, maar onderzoek heeft aangetoond dat het niet klopt wat je zegt.’

Pft…

Ik schreef al eerder dat ik een behandelaar nooit in een groep zal afvallen, maar ik had natuurlijk mijn vinger moeten opsteken en vragen: meneer, welk onderzoek was dat, en wanneer, door wie uitgevoerd, onder hoeveel verslaafden, was er een controlegroep? Ik liet hem hiermee wegkomen, deed niet moeilijk. Ik had hem moeten toeroepen: ‘Luister gast, zit nou even niet met mijn mind te fucken!’ Want dat hoor je weleens zeggen, in de klinieken waar ik kom. Kwam. Een keer vertelde een behandelaar dat hij in café Bax — waar veel behandelaars samenkomen om stoom af te blazen, waar zij elkaar soms huilend van wanhoop in de armen vallen — dat hij in café Bax de een of andere gek tegen zijn vriendin hoorde zeggen dat zij niet met zijn mind moest fucken. En dat hij op dat moment zo’n diepe mindfuck-moeheid voelde opkomen. Dat kan ik mij goed voorstellen en daarom moet er een standbeeld voor behandelaars komen, liefst van een groepje samen, twee dagbehandelaars & twee nazorgers, de armen om elkaars schouders, eendrachtig en fier rechtop, een beeld dat uitdrukt: hier zijn wij! Verslaafden nemen het op zich dat er regelmatig een bosje bloemen bij gelegd wordt, mag ook dronken of stoned, of met een sierlijke worp vanuit de goot waar je in ligt.

Over taalgebruik, dus, daar gaat dit bericht over. Wat je ook doet, wat je ook uitspookt, je komt in je leven overal te laat, dus ik kwam lang ná Zuster Timmer in de vroegere Heinzekliniek. Niemand zei toen dat je daar niet voor de lol zat, maar bewoners zeiden, een keer of vijf per dag: ‘Nou ja, we zitten hier niet voor onze zweetvoeten.’ Ditmaal hoorde ik dat niemand zeggen, de uitdrukking is godzijdank foetsie. Waar ik deze keer aan moest wennen, dat is hoe jonge drugsverslaafden praten. Het duurde een tijdje voordat ik in de gaten kreeg dat ‘naar de kloten gaan’ betekent: genieten van drugs, een feestje bouwen. Als je dat niet weet, zijn er veel gesprekken waar je geen touw aan vast kunt knopen.

En deze keer ook: in de dagdetox kreeg ik een verbod om het woord ‘verslaafde’ uit te spreken. Waarom weet ik niet meer, ik vroeg er ook niet naar. Ik vind altijd alles best. Van een andere behandelaar mocht ik niet zeggen ‘blikje bier’ wanneer ik een halve liter bedoelde, dat moest ‘een blik bier’ zijn. Tegen haar werd ik opstandig en ik riep: ‘Een blik doperwten!’ Van een ervaren en wijze cliënt mocht ik het woord ‘uitglijder’ niet gebruiken, dat moest ‘terugval’ zijn. Maar wat nu wél mag en vroeger niet, dat is dat je zegt: ‘Stel dat je bij een slijter binnengaat…’ Tóen zei men: ‘Nee, Pitt, je moet zeggen “stel dat ik bij een slijter binnenga.” Je moest het dicht bij jezelf houden. Het was grappig te zien dat die verboden evolueren, verschuiven. Misschien maken ze een cirkel en keren terug. Zo ploetert en sukkelt iedereen maar voort, ik ook, en u ook.

Daarom nu het mooiste van alles. Ik zat deze week wat te mijmeren over het woord ‘verslaving’. Het lijkt erop dat het Nederlands de enige taal is die het woord ‘slaaf’ in onze aandoening verwerkt heeft. Veel andere talen noemen het ‘afhankelijkheid’, de Duitsers noemen het Sucht — dat is de ‘zucht naar’, een ziekelijke neiging tot, IJslanders gebruiken het idiote woord fíkn  — maar geen enkele taal waarvan ik het schrift kan lezen rept van slavernij. En ik dacht: dat is wel goed van het Nederlands, om zo precies te zeggen waar het op staat! Maar toen gebeurde het… ik dacht na over het Engelse woord addiction

Addiction komt van het Latijnse addictionem, afgeleid van het werkwoord addicere. Wat een woord! In letterlijke zin betekent het: je stem overdragen aan… weggeven. De link is duidelijk, de verslaafde of gevangene heeft geen eigen stem meer. Ook betekent het: verkopen, van de hand doen. De verslaafde geeft dus iets weg. Maar addicere heeft daarnaast ook nog een figuurlijke betekenis: zich wijden aan, in dienst stellen van, zich overgeven aan… en zelfs ‘verraad’… en ten slotte betekent het ook: offeren.

Offeren… Dit doet heel erg denken aan Douwe Bob en de offerdieren. Wat een prachtig toeval.

En nu weet ik alvast één ding. Dát is wat de zes deden… zij herwonnen hun geofferde stem. Jarenlang hoorden zij roepen, natuurlijk hoorden zij dat, het was hun eigen naam die klonk. Zij konden niet reageren, niets terugzeggen. En dan komt het, een heilig moment. Nogmaals werden zij geroepen, eindelijk konden zij antwoorden, en zeggen: hier ben ik.

Abstinentie is het gevolg van een roeping.

Pitt

23 — Douwe Bob en de offerdieren

glenn-baxter-02

‘De vraag is niet of het gebeurt, maar wanneer.’ Aan het woord is de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid, toen hem werd gevraagd naar mogelijke aanslagen in Nederland. Het laat zien hoe verleidelijk het is om je uit te drukken in one-liners en tegelijkertijd laat het zien hoe onzinnig dat is. Want de vraag is wel degelijk óf het gebeurt. En dat je daarna weet wanneer dat was, is niet bepaald het belangrijkste onderdeel van een aanslag. Evenmin kun je over de zon zeggen: ‘De vraag is niet of hij opkomt maar hoe laat.’ Want ook hier geldt: de vraag is wel degelijk óf de zon opkomt! Ik wil niemand bang maken, maar er komt een tijd dat de zon er niet meer is. Uitgedoofd. Overigens: geen zorgen daarover, tegen die tijd zijn wij allang weer verder getrokken. Het is dus géén reden om te gaan drinken!

Ik merk dat ik in deze weblog wel vaker de neiging heb om mensen gerust te stellen over iets. Nu weer over de naderende en eeuwigdurende zonsverduistering. Ik wilde dat ik hetzelfde kon doen met verslavingen. Maar dat gaat helaas niet.

Tijd nu om de Nationaal Coördinator Verslavingsbestrijding & Abstinentie even aan het woord te laten, die deed onlangs een ferme uitspraak over zijn succesvol afgekickte zoon: ‘De vraag is niet óf hij terugvalt maar wanneer!’ U raadt het al: dit is fout. Zuiver redeneren is nu eenmaal een lastige zaak. Bovendien speelt in dit geval een persoonlijk instelling een rol, een opvatting, de vraag: wat verwacht zo iemand? De vraag is dus eigenlijk: zijn terugvallen bij verslaafden te verwachten?

Ja. Bij een aantal wel.

Dit roept een nieuwe vraag op: zijn de verwachte terugvallen te voorkomen?

Ja.

Eigenlijk zou ik nu kunnen zeggen: klaar! Voor vandaag kan ik inpakken, ik doe het licht uit en trek de deur van het weblogkamertje achter me dicht. Dit bericht is af. Ik zit dan nog wel een beetje met de titel in mijn maag, wat moet ik daarmee? Maar de vraag is niet of Douwe Bob het songfestival wint of wanneer. Dit is geen songfestival-weblog. Het ligt meer voor de hand dat ik Douwe wil koppelen aan verslavingen. Dus ik blijf hier nog even. Misschien is het wél goed om te zeggen dat het de eerste keer is dat ik een dubbele voornaam echt leuk vind klinken: Douwe Bob. Een naam als Klaas Jan klinkt mij te veel naar een opa en nog een opa. Bij de zanger hoor ik meer: D’ouwe Bob. Ook goed als kroegnaam: In The Old Bob. In Ierland kwam ik een pub tegen, The Drunk’ Dog genaamd. Maar ik zat verdikkie in de nazorg! Tering. Het kon niet. De nazorg is nu eenmaal niet de plaats voor slippertjes of glijers. Maar o… wat was ik graag naar binnen gegaan om daar een beetje dronken te worden, in The Drunk Dog, domweg door de naam. Ik heb vaak gemerkt: verslaafden die gestopt zijn, ontwikkelen heel snel een bepaalde taalgevoeligheid. Alsof het taalgebied in de hersenen een link heeft naar de plek waar de verslaving zetelt. Woorden of zinnen die een felle trek in alcohol kunnen veroorzaken.

Beelden kunnen dat natuurlijk ook. Toen ik vroeg in de ochtend naar Ierland vertrok, ging ik op Schiphol nog even naar Murphy’s Irish Pub, dat is bij Gate D, omdat ze daar een rookkamertje hebben. Een rookkamertje? Als dat nu alles was… nee, daar werd stevig gepaft én gedronken! IJskoude halve liters bier… een groot en beslagen glas… de vrolijke belletjes in het bier… de eerste flinke slok… halfleeg… om half acht ’s ochtends, op je nuchtere maag… dat is het heerlijkste wat er bestaat in het leven… ach, kon ik maar alléén ’s ochtends vroeg drinken!, en de rest van de dag dan niets meer… dat beloof ik, nee, ik zweer het, ik drink voortaan alleen nog tussen half acht en half negen in de ochtend! Ik drink dan eindelijk gecontroleerd.

Hoe voorkom je als therapeut nu de terugvallen bij je cliënten, daar hadden we het over. Dat is helemaal niet zo moeilijk. Je haalt gewoon allerlei gekkigheid uit het hoofd van de verslaafde en vervangt die door nieuwe gekkigheid. Er komt een tijd dat dat operatief kan. Wat voor gekkigheid haal je er dan uit? Welnu, daarvoor moeten we dus bij Douwe Bob zijn. Er is drie jaar geleden een documentaire over hem gemaakt, Whatever forever. Die eigenlijk vooral ook over zijn vader ging, Simon Posthuma, ooit een bekende ontwerper van hoezen voor lp’s, onder meer voor de Beatles. Levenskunstenaar, en vooral ook drankzuchtige. Inmiddels in Korsakov beland en volkomen vereenzaamd. Hij had één geluk: zijn zoon trok toen een tijdlang bij hem in. Wel een goeie gast, die Douwe Bob. Hij zegt in de film: ‘Dat heb ik ook, dat mateloze van mijn vader, in alles, dat gevoel van fuck it.’ En daarna zegt hij:

‘Ik zie schoonheid in zelfdestructie, in jezelf kapotmaken. In gedoemd zijn.’

Die schoonheid zie ik ook. Omdat ik verslaafd ben? Nee, dat denk ik niet. Omdat ik een psychische stoornis heb? Nee, ook niet, die schoonheid is er gewoon. Ik denk wel dat het vooral mannen zijn die zo denken, maar in feite voelt ieder mens dit. Mensen steken ook graag een mes in een pak vacuüm verpakte koffie, lopen graag door een veldje dat bedekt is met nog ongerepte sneeuw. Wat ongerept is, maagdelijk, dat moet eraan geloven. Verslaafden trekken dat door: ons leven, het pure feit dat we er zijn — wat hoe dan ook iets onvoorstelbaars is — daar steken we graag even een stokje voor. Dat zit in ons. Mensen zijn offerdieren, we offeren onszelf op. En behalve onszelf, offeren we ook nog andere zaken graag op. Je hebt de liefste vrouw op aarde, je gaat vreemd, je offert haar. Aan wat? Aan niks. Lust, misschien. Je hebt tijd, je vrije uren, je offert die op aan urenlang voor de tv hangen. Wat zie je daar dan? Niks. Je hebt de liefste vrouw op aarde, je drinkt je te pletter, je offert haar. Je hebt een gezin, en je… Je lichaam is gezond, en je… Mijn punt is dus: wat verslaafden doen is niet véél gekker dan wat iedereen doet. Of waar iedereen een neiging toe heeft.

Dat is een.

Twee. We zien schoonheid in heel veel dingen. De man die uit een van de Twin Towers sprong, met zijn jas aan, dichtgeknoopt, zijn aktetas keurig en klemvast in de hand, die verleende zijn ondergang daarmee een zekere schoonheid. Schoonheid in waardigheid, die sowieso als schoonheid is. Hij dééd dat, en wij zien het. Sommigen sprongen samen, gewone collega’s, hand in hand, de lange weg naar beneden, die deden dat ook. Niet voor ons, voor zichzelf. Dat ik daar schoonheid in kan zien, dwars door afschuw heen, dat komt doordat mensen kunnen romantiseren. Dat is een geweldige kracht die wij hebben. Zo kijken we immers ook naar een zonsondergang, naar een volle maan, en zo lezen we een gedicht of horen we de vertelling van een verhaal. Moeiteloos ontdekken we schoonheid in dingen die er in werkelijkheid helemaal niet is. Er zit geen schoonheid in een zonsondergang, de natuur heeft van schoonheid geen weet, die leggen wij erin. Mensen kunnen dingen zowel bezielen als bezoedelen. We zijn zowel schepper als vernietiger.

Bij verslaafden — en bij Douwe Bob en zijn vader, en ook bij een schrijver als Charles Bukowski — kan het vermogen en de verleiding om te romantiseren flink uit de hand lopen. Dát is de gekkigheid die eruit moet. Het is één ding om schoonheid te kunnen zien in de ondergang van een ander, het is nog iets anders om dat op je eigen leven toe te passen. Douwe is nog jong, hij koppelt het artiest-zijn aan de ondergang, zo vertelt hij. Overigens is dat beeld ongeveer begonnen met Vincent van Gogh, het beeld van de lijdende kunstenaar. Die door zijn lijden buiten de maatschappij staat. ‘Net als criminelen,’ zo vertelt Douwe er nog even bij. ‘Ja,’ zegt zijn vader, ‘daarom trekken kunstenaars en criminelen graag met elkaar op!’ Hm, veel plezier samen. Wel een lekker stel, die twee, vader & zoon, ze hebben iets om over te praten. Al zegt de vader niet veel meer.

Voor Douwe Bob is er hoop. Want hij zegt in de documentaire ook, in zijn eigen woorden:

— Als je met dit soort dingen fuckt, trek je wel altijd aan het kortste eind. Denk ik.
— Het haalt je in, op een gegeven moment. Kijk maar naar mijn vader nu, het haalt je in. Als je hard leeft, ga je ook hard naar beneden.
— Stel je bent heel destructief, je denkt fuck it, fuck it, de hele tijd. Dat is de ene gozer. Een andere gozer denkt óók fuck it, maar die hoort in zijn achterhoofd een stemmetje: ‘Doe normaal.’ Dat stemmetje heb ik altijd gehad, mijn vader niet. Dat stemmetje is van mijn moeder.

Houd het vast, Douwe Bob, dat stemmetje van je moeder, blijf het horen. En doe normaal.

Vader Posthuma zie je telkens in beeld, met bevende handen drinkt hij een glas bier. Douwe Bob: ‘Hij ziet schoonheid in pijn. Ik ook. Dat schrikt mij wel af. Want ik wil niet zoals mijn vader eindigen. Alleen. Helemaal alleen.’

Pitt

22 — tussen hond en wolf

hondwolf

Deze weblog riep ik in het leven toen ik nog in de nazorg zat, ik begon ermee tijdens mijn laatste twee maanden. Ik had hem veel eerder het licht willen doen zien — het idee ontstond al tijdens de dagbehandeling, op suggestie van mental coach Hans West — maar zoals ik in mijn vorige bericht schreef: zodra ik na de dagkliniek de wereld van de abstinentie binnenging, deed ik geen van de dingen meer die ik graag deed. Buitenshuis was ik actief, daarbinnen nauwelijks nog. Mijn pianospel verdween, ik las nauwelijks meer een boek, ik zwom niet meer, en het ergste was wel dat ik niet meer schreef. Dit laatste kostte me zelfs een vriendschap. Een verre vriend in een ander land — heel af en toe zagen we elkaar, we belden soms, maar vooral schreven wij — iemand die mij de laatste jaren door dik en dun had gesteund, het begon hem ineens allemaal te lang te duren. Je dagbehandeling zit erop, je bent terug op aarde, schrijf mij nu weer, Pitt! Ik deed het niet. Ik had tijd nodig. Hoe dat kwam, en tijd waarvoor? Ik weet het nu nóg niet.

Ik hield er rekening mee dat het verslaafde deel in mijn brein mij dit flikte. In die dagen hield ik met álles rekening. Ik dacht: stel nu dat ikzelf dat verslaafde brein ben, ik speel even Koning Alcohol. Ik merk dat het bombarderen met hevige trekmomenten weinig invloed heeft op Pitt. Hij heeft inmiddels overal een trucje voor. Zo glad als een aal geworden. Dus erg gemakkelijk krijg ik hem niet terug in de fles. Maar wat nu als ik al zijn liefhebberijen blokkeer? Daar wordt hij goed ziek van! Hij zal denken: ‘Wat heb ik een klote-abstinentie! Dit is tien keer niks!’ En dán krijg ik hem mijn kant op. — En ik, Pitt, moet toegeven: hij kwam een heel eind. Denk nu niet: ‘Zó doortrapt? Klinkt dat niet iets te mooi?’ Besef dan altijd dat het je eigen brein is waar je het tegen opneemt. Ik dacht tijdens mijn opname vaak: hoe kan het toch dat alle verslaafden hier zo rustig aan de tafels zitten, tijdens de modules? De gedachte dat je eigen brein je aanvalt, tot de dood erop volgt, daarvan moet je toch buiten zinnen raken? Eh… ja, eigenlijk wel. Toch gebeurt dat niet. Daar komt nog bij dat niet iedere cliënt het gevoel heeft dat hij hier is vanwege een strijd op leven en dood. Velen denken nog dat het niet hun middel is, maar alleen hun te veel gebruik. De droom om met mate te kunnen drinken, houdt met diepe fundamenten krachtiger stand dan de oude stadsmuren van Constantinopel. Die muren staan er voor een groot deel nog altijd, ga maar kijken, in het oudste deel van Istanbul. Ik zou drankzuchtigen sowieso aanraden om een tijdje alleen naar moslimlanden te reizen. Die kennen nauwelijks een openlijke drinkcultuur. Turkije, Iran, dat zijn erg mooie landen. Niet bang zijn, er gebeurt niks.

Veel later schreef ik mijn verre vriend weer wel, uitvoerig, maar te laat, hij was weg, antwoordde niet meer. Juist doordat ik nu werkelijk was gestopt, ging een vriendschap verloren. Weer eens wat anders dan zitten wachten op beloningen.

Het uur tussen hond en wolf.

Dit is een erg oude uitdrukking, je komt hem al tegen in vroege Latijnse teksten, inter canem et lupum. Er wordt letterlijk mee bedoeld: de schemering. Tussen licht en donker. Je loopt in het schemerduister, een gedaante doemt op, hij staat voor je, je ziet hem op zijn vier poten staan, maar je kunt niet uitmaken: hond of wolf. Vriend of vijand. Je bent in het uur tussen hond en wolf.

Zo keek ik toen naar abstinentie. Ik kon soms niet goed zien wat er voor mij stond. Vloog het mij naar de keel? Verloor ik nog meer vrienden? Hoeveel waren er eigenlijk nog? En wat moest ik verder nog onder ogen gaan zien? Of: zou het mij volgen, als een trouwe viervoeter, waar ik ook ging? Wat ging het mij kosten? Wat zou het mij geven? Eén ding was duidelijk: op deze vragen zou ik geen antwoord krijgen als ik het niet probeerde. Dat antwoord zou samen met de hond en de wolf in de schemering blijven hangen. Als ik een behandelaar was zou ik heel erg aandringen op: houd het één jaar vol. Abstinent. Geef jezelf een nuchter jaar de tijd. En kijk dan nóg eens, wat staat er vóór je? Hond of wolf?

Deze methode, om het zo maar even te noemen, dit droogstaan voor in ieder geval de duur van een jaar, heeft bovendien een aantal voordelen. In de eerste plaats is ‘nooit meer’ van de baan. De uitdrukking ‘zeg nooit nooit’ is speciaal voor verslaafden op de markt gebracht. In de tweede plaats gebeurt er na dat jaar iets heel belangrijks. Ongeacht of je een verslaving opvat als ziekte of niet: wie na een nuchter jaar toch weer terugvalt, wie teruggaat naar zijn oude niveau en patroon van gebruiken, die kiest dan eindelijk voor zijn verslaving. Dat kiezen moet toch veel rust geven, je valt nu samen met je middel, het verzet ertegen is gestaakt. Daarna komt de dood. Maar daar is op zichzelf niks mis mee. The Grim Reaper. Pierlala. De verslaafde kan eindelijk tegen zijn omgeving zeggen: dit is wat ik wil, zo wil ik leven, zo wil ik sterven. Het is uiterst zelden dat je iemand dát hoort zeggen — ik zou er op een bepaalde manier respect voor hebben — maar hoewel hij dat niet zegt, is het wel waar hij naar handelt. Een jaar. Meer niet. En, ik schreef het al eerder, voor mij geldt nu: er is geen weg meer terug.

Waarom eigenlijk niet?

In de eerste plaats al niet vanwege de zwaarte van het afgelopen jaar. Laat niemand denken dat dit jaar makkelijk was, niet voor mij en ook niet voor degenen met wie ik de nazorg verliet. De drogen. Versus de natten. We zijn niet eventjes uit de as herrezen. Alcohol trok en duwde aan alle kanten. En soms doet het dat nog steeds. Nog een anti-verslavings-tip: ga een keer naar het Verzetsmuseum, tegenover Artis! Het is mooi opgezet en daar kun je zien hoe er altijd een grote groep mensen is die in verzet komt, onder alle omstandigheden, die mensen zijn er altijd. Sluit je bij hen aan. Er is één verschil tussen de verzetsmensen en jou. Zij bekochten hun verzet vaak met de dood. Voor jou geldt precies het tegenovergestelde.

In de tweede plaats heb ik nu al te veel in handen gekregen, dingen die ik niet meer loslaat. Het is lente, ik ben weer regelmatig buiten, om maar eens wat te noemen. Naar het Land van Nescio, fiets! Dat deed ik niet toen ik dronk. Je kómt er misschien wel, maar hoe kom je weer thuis? Want overal staan leuke kroegjes, een beetje babbelen, met de locals, de dorpelingen. Een keer, boven op de dijk, na zo’n gesprekje en na een aantal kopstootjes, stapte ik op mijn fiets, zwaaide een been over het zadel en viel er aan de andere kant meteen weer af. Ik rolde helemaal van de dijk naar beneden. Nee, dat is niets voor mij, ik hou daar niet van. Zeker niet toen ik ook nog door een heel bed brandnetels ging. Ik liep maar weer terug het kroegje in, dit was echt niks zo. Tegen de jeukende bultjes kreeg ik van de herbergier een fles azijn. Of hoe zeg je dat, van de kastelein. De kroegbaas of barman. In het toilet goot ik die fles boven mijn hoofd leeg. Ik doe liever niks half. Zo nam ik weer plaats aan de tap, als iemand waar een luchtje aan zit. Daar dronk ik verder, want ja, wat moet je anders? De dorpelingen vonden alles best, er gebeurde weer eens iets. Op weg naar huis later die middag, tussen de weilanden in de schemering, toen kwam ik ze wéér tegen, nu reden ze in een auto voorbij en zagen me liggen, omdat ik in een sloot gereden was. Al die dingen, het is zó vermoeiend allemaal! Ze stopten, hadden plezier voor tien. Wel gaven ze mij en mijn fiets een lift.

Nee, thuis zitten, drinken en wat treuren, dat ging nog het beste. Ik luisterde vaak naar R.L. Burnside, het nummer It’s bad you know. Een heel simpel nummer met maar één akkoord en maar één baslijn. Daaraan zie je al dat het speciaal voor alcoholisten op de markt is gebracht. Het enige wat hij zingt is: ‘It’s bad you know.’ En terwijl ik luisterde, dacht ik: ja, zo is het precies. It’s bad.

Drinken en treuren, niet alleen om de dingen die ooit waren, maar vooral ook om de dingen die er niet zijn, die ook niet komen. De schrijfster Edith Warton:

and in the innermost room
the holy of holies
the soul sits alone
and waits for a footstep
that never comes.

Die niet komt. Tenzij… je… Dan misschien weer wel. Dus wat je ook doet, waar je ook gaat, bedenk één ding: wees op je hoede in de schemering. Blijf kijken. Want daar staat de een, of daar staat de ander.

‘Never cry wolf.’

Pitt

21 — de dakloze

daklozen

Gaandeweg de jaren van mijn verslaving, zo ongeveer na mijn veertigste jaar — veertig is wel een ijkpunt in ieders leven, want niet langer leef je van je geboorte áf, je leeft nu naar je dood toe — begon ik een diep ontzag voor mijn lichaam te krijgen. Vooral toen ik maar niet dood ging. Zo vaak had ik dit lichaam naar de rand van wat het aankon gedreven, en daarna erover heen, waarna het lichaam het begaf: het kon het niet meer opbrengen mij nog naar de slijter te brengen. Het bleef gewoon liggen waar het lag, in bed. Juist nu alcohol zo verschrikkelijk hard nodig was, kon het die niet meer halen. Noodgedwongen lag dus ook de geest in bed en wachtte met angst en beven op de dingen die komen gingen. En de dingen die dan komen, die liegen er natuurlijk niet om. De wekenlang verdoofde zenuwen komen massaal weer tot leven en buitelen over elkaar heen. Overal in het brein weerlicht het, een eindeloze vonkenregen spat alle kanten op, behalve de goede. Angst wordt in pure vorm naar binnen gepompt, geen enkele gedachte biedt nog houvast en het lichaam — wiens schuld dit nota bene is, want het wil niet meer naar buiten — wordt getroffen door hevige krampen en lijdt op de gekste plaatsen pijn. In ledematen, in organen, eigenlijk werkt bijna niets meer. Het zweet hevig, probeert zich te ontdoen van al het gif, aan alle kanten gutst het vocht naar buiten. De plotselinge ontwenning van alcohol is zwaarder dan welke andere afkick ook. Lichaam en geest, normaal gesproken keurig van elkaar gescheiden en ieder bezig met zijn eigen ding, zijn nu gezamenlijk in rep en roer, volkomen op hol geslagen. En hier geldt: gedeelde smart is dubbele smart. Want de één kan niet denken: gelukkig heb ik die ander nog, die een beetje normaal doet, nee, het is nog slechts wanhoop wat de klok slaat, het is volslagen hopeloos.

Nu begrijpt u ook waarom de verslaafde zo veel moeite heeft met abstinentie, want dit telkens terugkerende feest wil hij natuurlijk voor geen goud missen. En nu sla ik gemakshalve de nacht maar even over, want wat er dán allemaal op je af komt aan demonen, gedrochten, krioelend ongedierte en spookgestalten, dat is gewoon te kostelijk voor woorden. De lange stoet de bergen in van het circus Jeroen Bosch. Van binnen is je hoofd één groot pretpark geworden, annex spookhuis, van buiten lijkt het nauwelijks nog op een menselijk gezicht. Uiteraard is dit is de staat waarin de verslaafde zich het prettigst voelt, hier doe je het allemaal voor.

Over dat sarcasme van mij, daar kom ik straks nog op, nu is het nog even de beurt aan het lichaam.

‘Hee! En die dakloze dan?’
‘Wat nou dakloze?’
‘Hoezo, wat nou dakloze? Die staat boven dit bericht!’
‘Ach ja, de dakloze!’
‘Ja, wat is daar mee?’
‘Die had u nog te goed!
‘Te goed?’
‘Ja, hij werd aangekondigd in bericht 10 – een prikbink.
‘Ga je over hem ook sarcastisch doen?’
‘Nee, in geen geval.’
‘O. En over óns wel!’
‘Ja, soms.’

Wanneer je zo hulpeloos op bed ligt, dan is je geest van nul en gener waarde. Je hebt er helemaal niets aan, een blok aan je been. Het ergste is nog dat je hem niet kunt uitschakelen, je bent eraan overgeleverd. Al heel lang denk ik: als er íemand is die zich van ernstige psychiatrische aandoeningen een voorstelling kan maken, dan is het wel de verslaafde die aan het afkicken is. Maar genoeg nu over de geest. Het lichaam…

Aan de manier waarop ik over deze twee schrijf, merkt de lezer dat ik een ouderwetse dualist ben. Die gelooft in de scheiding tussen lichaam en geest. Dat ben ik niet zomaar, ik werd het toen ik René Descartes las, die in de 17e eeuw beroemd werd met zijn uitspraak: ‘Ik denk, dus ik ben.’ Stap voor stap komt hij tot deze conclusie, het is heerlijk hem hierbij op de voet te volgen, op papier. En juist een verslaafde dualist ontwikkelt een diep gevoel van eerbied voor het lichaam, zijn lichaam. Zijn altijd trouwe, arme arme lichaam.

Wat doet het daar, op dat bed? Welnu, anders dan de geest, die maar wat ligt te jammeren, dóet het daadwerkelijk iets! Het herstelt zich… Dat het dit voortdurend doet, dit zelfreinigende en herstellende vermogen, dat het dit kán, dat het telkens weer lúkt, dat is eigenlijk ongelooflijk. Mijn lichaam moet zo verschrikkelijk moe zijn geworden van mij, zo ontredderd, zich zo als mijn gevangene hebben gevoeld, al die jaren. Als in een kerker gegooid, met de boodschap: rot daar maar weg. Dat ik het nu al langer dan een jaar onderhoud en schoonhoud, clean dus, dat doet mij meer deugd dan ik hier kan zeggen. Meer nog dan ikzelf, verdient mijn lichaam mijn herwonnen abstinentie.

Vandaar ook dat ik elk geestelijk protest dat ik in mijn eerste abstinente jaar voelde opkomen — de neiging van de geest zich over te geven aan treuren en weeklagen, aan janken en zeuren, de volstrekte onwil die het toont om nu eens echt te gaan puinruimen — vandaar dat ik elk geestelijk verzet tegen abstinentie telkens diep de grond in stampte. Weg jij! Het is niet de geest die de baas is, de baas, dat ben ik. C’est moi.

Wie of wat dat ik dan is, daarvoor moet u eigenlijk bij Freud zijn, die noemde dat het über-ich, het boven-ik, de bovenste in de ladder. Maar voor Freud heb ik weinig geduld, dat begrijpt u wel. Dit über-ich, dat ís er, dat is wel genoeg om te weten.

Nu, aldus redenerend komen we uit bij de kern van de zaak en die is: het lichaam verdient de abstinentie, de geest verdient een lesje. Dit is niet precies hoe de Jellinek het zou formuleren, maar het is wel de reden dat er intussen een heel leger psychologen het gebouw is binnengetrokken. Twintig jaar geleden zag ik er niet één. Toen hadden we genoeg aan maatschappelijk werkers, die vooral praktisch met je mee dachten. Goede psychologen doen dat trouwens ook, het effect dat een behandelaar op de cliënt heeft zit hem minder in de studie dan in de mens erachter.

De drie maanden dagbehandeling gebruikte ik om te wennen aan mijn nieuwe nuchtere bestaan. De Jellinek bood mij tijdens deze periode een psycholoog aan, EVB’er genoemd, de Eerst Verantwoordelijke Behandelaar. Het begon met Zwaan, voor mijn eerste maand, over haar schreef ik al. Zij had eigenlijk de dankbaarste taak, mij uit de beginprut zien te trekken en het beoordelen van de staat waarin mijn bovenkamer zich bevond. De tweede was Jared, een van de weinige mannen die in het gebouw werken.

Met hem besprak ik een verschijnsel waar ik veel last van begon te krijgen: het niet (meer) uitoefenen van liefhebberijen die ik had. Wat ik nota bene wel deed toen ik nog dronk! Ze verdwenen, zomaar, ik had er geen vat op. Dit interpreteerde ik als: als je mij weer aan de drank wilt krijgen, moet je juist díe dingen weghalen. Ik dacht ook: het is mijn eigen geest die dit doet. Pianostudie bijvoorbeeld, dat was een voornemen, iets nieuws. Mijn leven lang pingelde ik alleen maar. Mijn gitaar raakte ik al veel langer niet meer aan. Goede raad was duur, hoe kreeg ik die dingen nu voor elkaar? Jouri, echter, had één klein gebrek. Hijzelf had zijn gitaar eveneens aan de wilgen gehangen!, na jaren van toewijding, oefening en spel. En ik vind nu juist, zoiets doe je niet, niet na al die jaren, dan is er iets aan de hand met je. Om hem te helpen, om hem terug de muziek in te krijgen, nam ik op een dag een aardige partituur met gitaarmuziek voor hem mee. Toen ik die aan hem gaf, merkte hij op: ‘Dit is op de grens van wat ik kan toelaten.’ Daarmee doelde hij op de relatie therapeut-cliënt, hij was daar streng in. Die grens ligt bij mijzelf aanzienlijk hoger. Elke grens ligt bij mij hoger. Als verslaafde, immers, ben ik een geoefende grenzeloze.

Na de dagbehandeling, en dus ook na Jouri, kwam ik terecht bij een psychologe, een POH-GGZ therapeute, de Praktijk Ondersteuner Huisartsen, verbonden dus aan mijn eigen huisarts. Zij sputterde en spartelde eerst wel tegen, maar met haar richtte ik me uitsluitend op de taken die ik mij gesteld had, mijn hobby’s. Daar was ook een nieuwe hobby bij, koken! Zij, echter, had niet één, maar meerdere kleine gebreken. Dat hou je toch, het blijft mensenwerk. Haar grootste gebrek was… zij speelde geen piano meer! Ze had er thuis niet eens meer een staan. Na jaren van toewijding, oefening en spel. Ik bood aan om haar te helpen zoeken naar een tweedehands exemplaar. Ik heb mijn rol ten opzichte van psychologen altijd óók gezien als opvoedend. Ik vind: je moet ze een beetje helpen, want ze hebben een raar vak. De hele dag zitten er vreemde snuiters voor hun neus.

Op een dag was zij weg, gewoon foetsie. Dat was erg, want mijn taken, mijn huiswerk, deed ik dankzij haar erg trouw! Dit raad ik iedereen aan: gebruik bij het opbouwen van nieuwe dingen om je heen een psycholoog. Daar zijn ze voor. Ik kan het wel schattig en aandoenlijk vinden dat psychologen in deze tijd de status van hogepriesters hebben gekregen, maar zij zijn nog altijd vooral instrumenten. Dat bedoel ik beslist niet neerbuigend, maar daar zijn ze eenvoudigweg nu juist voor opgeleid.

Omdat zij weg was, moest ik iets anders, iemand anders zien te vinden. In dit eerste abstinente jaar geldt: blijf bewegen!, wat er ook gebeurt, blijf in beweging. Bij mijn Albert Heijn stond een jongeman, verkoper van de daklozenkrant. Sympathiek genoeg, hij liet je met rust en hij maakte ook verder geen domme indruk. Ik nodigde hem uit voor een kopje koffie, ergens om de hoek. Ik vertelde dat ik bezig was met een huiswerkexperiment: kan een volslagen onbekende een ander stimuleren bij het doen van huiswerk? Hijzelf dacht van wel, de 19-jarige Daniël, nu al vier jaar hier, uit Nigeria. Wel een land om uit weg te vluchten, nadat zijn ouders waren overleden. Of waren omgekomen, dat wilde ik niet vragen. We spraken af dat we eenmaal per week koffie zouden drinken, hij kon mij dan overhoren, hetgeen neerkwam op: had ik überhaupt wel iets gedaan? Daar tegenover stond dat ik hem een vast wekelijks bedrag zou betalen.

Het werkte niet al te best, helaas. Mijn luiheid, mijn gemakzucht? Zijn gebrek aan autoriteit? Ik had er een kennis bij gekregen, dat wel, een aardige man. We spraken af dat we af en toe koffie zouden drinken, misschien kon ik hém met dingen helpen. Zo zal het nu ook wel gaan. Hij past dan in het rijtje dat ik laatst opsomde: nieuwe mensen leren kennen… Hij past ook nog in een ander rijtje: zorg ervoor dat je iets betekent voor een ander… als er iets nieuw is in je verslaafde leven, dan is dat het wel. Klinkt mooi en nobel, iets betekenen, maar het is ook in je eigen belang.

Veel later kwam ik weer bij die psychologe terug! Ik vond haar weer, mijn huisarts duwde me opnieuw naar haar toe. Ze had nog altijd geen piano gekocht, natuurlijk niet. Dus nog altijd werk aan de winkel. Ik zei een keer tegen haar: ‘Eigenlijk ben ik een tragische figuur.’ Even keek ze me strak aan en begon toen te proesten van het lachen. Hahaha! Zelf vond ik het ook wel grappig klinken. Dit moment, met haar, beschouw ik als een hoogtepunt van de therapie.

En mijn sarcasme? Ach, alles beter dan cynisme. Cynisme kan een verslaving ziek en gestoord gaan noemen, natuurlijk met de beste bedoelingen, maar toch. Sarcasme is meer een hug. Sarcasme zegt: verslaafden zijn schavuiten!

Pitt

Roy5

20 — loven en bieden

Franciscus 01

Af en toe gebeurt het dat een lezer een reactie bij een van mijn berichten plaatst en telkens ben ik daar heel erg blij mee. En ook opgelucht, want vooraf dacht ik dat er ook mensen zouden zijn — gezien de huidige toon en inhoud van reacties op het net — die zouden schrijven: ‘Hee jij, tering-Pitt, ze moesten jou verzuipen in een vat whisky!’ Zowel met de reactie als met de daad zelf zou ik helemaal niet zo zitten. Verzuip mij maar in een vat whisky, ik heb in mijn leven wel erger meegemaakt. En wanneer het achter de rug is: laat mij daar dan zitten, Pitt op sterk water, dat heeft wel iets. Traag dein ik en draai ik een beetje, zoals ik dat lang geleden in de moederschoot ook deed. Pitt voor eeuwig in een vat whisky gevangen, hij is zowel verlost als terug bij af. En: hij blijft goed!

De laatste lezersreactie kwam van therapeut Hans West, hij reageerde uitgebreid op bericht 19 – moderne inzichten. Waarvoor mijn dank! Inzichten die overigens niet allemaal even modern waren, maar daar ging het mij ook niet om. In dit bericht ga ik in op zijn vraag aan mij, namelijk: ‘Wat stel jij dan voor dat ‘verslaving’ is, als het geen ziekte is?’ Daarmee begeef ik me op glad ijs, want ik refereer dan aan geen enkel wetenschappelijk onderzoek, niet aan de modernste hersenscan-technieken en evenmin aan inzichten vanuit de psychologie of psychiatrie. Ik verwijs naar slechts twee dingen: mijn gezond verstand en de vele dingen die ik zag en meemaakte — in al die jaren, in zo veel verschillende omstandigheden, in zo veel hoedanigheden — ik baseer mij dus op het observeren van zowel mijzelf als mijn lotgenoten.

Wie Hans West niet kent kan terecht op zijn weblog, PraatmetHans.nl, en wie hem wil hóren kan terecht bij het radioprogramma Nachtkijkers, waarin hij vorige week zondag vier uur lang over verslavingen sprak, in het holst van de nacht. In het begin erger je je dood aan de vele bellers, maar hij weet elke vraag handig te verbinden met kwesties die hij toch al wilde aansnijden. Dit voortdurend verbinden van uiteenlopende onderwerpen deed hij in de Jellinek ook, het is echt zijn kracht.

Het antwoord dat ik hem wil geven, verbind ik grappig genoeg met de afbeelding van het houten beeldje boven dit bericht. Het stelt Franciscus van Assisi voor, hijzelf is uit de 12e eeuw, het beeldje uit de 15e. Hij is de enige onder de vele heiligen die zich niet alleen met mensen verbonden voelde maar ook met dieren. Veel beter dan mij een uur lang op te zadelen met die psychopaat Pavlov, had de Jellinek over deze Franciscus kunnen onderrichten. Want hij werd nog tijdens zijn leven beroemd door zijn Zonnelied, een lofzang op de natuur, op de schepping. En u, als herstellende of herstelde verslaafde, u zegt natuurlijk: ‘Omdat ik mijn middel niet meer kan loven, nou, dan loof ik voortaan de schepping maar!’

Goed gezegd! U bent een bovenste beste verslaafde, eentje naar mijn hart. En bij het loven van de schepping, daarbij kan iemand u helpen, namelijk Rik Zaal, voormalig programmamaker bij de VPRO. Ik zag het heiligenbeeldje vorige week in Utrecht, in het Catharijneconvent, een erg oud en voormalig klooster, nu museum. Rik Zaal stelde twee jaar geleden een mooi boekje samen, Het beste van Nederland – een eigenzinnige reisgids, waarin hij tal van plaatsen in ons land beschrijft en aanprijst, zowel binnenshuis als buiten, plaatsen die in zijn ogen de moeite van een bezoek waard zijn. Ik kocht dit boekje tijdens mijn dagbehandeling in de Jellinek en ik verplichtte mezelf om minimaal tweemaal in de maand zo’n plek te bezoeken. Op die manier dwong ik mij om te genieten van wat bijzonder is of wat schoonheid heeft. Nu in nuchtere staat. Deze methode werkte heel erg goed! Op zondagen nam ik de trein, dat waren goede dagen. En nu is het lente! Dus: weer naar buiten! Ik zag het boekje staan voor een tientje op boekwinkeltjes.nl.

‘Wat stel jij dan voor dat ‘verslaving’ is, als het geen ziekte is?’

Iemand die een beetje thuis is in de kerkgeschiedenis zou Franciscus misschien herkend hebben, want het beeld toont de kijker de stigmata op beide handen. (Stigma’s kan ook.) Volgens de overlevering was Franciscus door zijn vroomheid gestigmatiseerd geraakt, dat wil zeggen: hij droeg de wondtekens van de kruisiging. Toen ik voor dit beeldje stond, dacht ik opeens aan de kwestie ziekte of geen ziekte. Immers, ook verslaafden zeulen een dubbel stigma met zich mee, twee stempels. Enerzijds krijgen zij er een opgeplakt van de buitenwereld, anderzijds van de hulpverlening. De buitenwereld maakt meestal korte metten met ons: we zijn losers. De verslavingszorg is inmiddels uitgekomen bij: we zijn chronisch ziek en we hebben een psychische stoornis.

We. Van twee kanten vliegen de stempels en etiketten ons om de oren. We zijn dit, we zijn dat. Tien jaar later zijn we weer wat anders. Let wel: deze etiketten krijgen wij voortdurend opgeplakt door niet-verslaafden. En hier, in deze weblog, doet nu al geruime tijd een verslaafde zijn mond open.

Terecht licht Hans West toe: met chronisch ziek wordt bedoeld dat de gevoeligheid voor het middel nooit meer weggaat. Maar dat weet iedere verslaafde ook wel, dus waarom moet dat nu letterlijk ‘chronisch ziek’ worden genoemd? Wat win je met een dergelijke kwalificatie? En waarom we nu ook nog psychisch gestoord zijn weet ik eigenlijk niet, maar het interesseert me ook niet. Ga je gang, noem mij zus, noem mij zo. Verzuip mij er maar in. Intussen heeft niet één nieuw inzicht, niet één nieuw etiket, geleid tot een betere en effectievere behandeling.

En die is er ook helemaal niet.

Wat is nu een goede manier van behandelen? Er is maar één behandeling, voor ons. Dat is een kliniek die zegt: kom maar hier, we zorgen ervoor dat je drie maanden nuchter blijft. We geven je een buffer in de tijd. Natuurlijk, we praten ook met je, we hebben een therapie klaarliggen en we trainen je doorlopend in sociaal gedrag en ook in mindfulness, we halen mensen in huis die al jaren droogstaan, we brengen het beeld van abstinentie dicht bij je, maar vooral geven we jou drie nuchtere maanden. Daarmee hopen we dat jij die verder uitbouwt, naar een vol jaar.

Nú is de boodschap: je valt tóch telkens terug, ziek en gestoord als je bent, dus we gedogen die terugvallen tijdens de behandeling. Met als gevolg dat ik omgeven was door een terugvalcircus, de een na de ander viel om, week in week uit. Hoe denkt de Jellinek dat dat voelt wanneer je daar tussen zit? Twintig jaar geleden ging het zo dus niet! Toen kreeg ik die drie nuchtere maanden. Nu moest ik daar – in een kliniek – voor vechten. De verleiding om mee te doen was erg groot, heerlijk een weekend drinken, tijdens de dagbehandeling. Daarna even opbiechten, beetje berouw tonen, leermomentje prikken, klaar. Een prachtige vorm van gecontroleerd drinken. Dat trekt hevig, ook aan mij. Je wordt er bijna ingezogen. Ik deed niet mee. Zoals het nu gaat: de klinieken in de Obrechtstraat zijn er alleen voor de allersterksten. Mensen met een motivatie van graniet. Die blijven overeind.

Een reorganisatie-tip: roep een nieuwe en parallelle dagbehandeling in het leven en vertel de cliënt bij de intake dat hij kan kiezen, je zegt: ‘We hebben een alcohol- en drugsvrije afdeling en een afdeling waarin mensen voortdurend terugvallen. Welke wilt u?’

In veel gevangenissen krijg je die keus ook. Dus waarom niet in de verslavingszorg?

Wat met al die etiketten en labels pijnlijk duidelijk wordt, dat is dat het kennelijk onmogelijk is geworden om je enigszins in een verslaafde te verplaatsen. Je in hem verdiepen is niet zo moeilijk, maar verplaatsen wel. Ik geef toe: dat valt ook niet mee. En dus krijgen wij woorden als ‘uitglijder’ mee naar huis en wordt ons nu verteld dat wij ziek en gestoord zijn. Wat dóet een doorsnee verslaafde met al die informatie? Natuurlijk: die gaat ermee aan de haal. Hij gebruikt het. Niet om langzaam abstinent te worden, waar de zorg blijkbaar op hoopt, maar om verslaafd te blijven. En dát nu, zit honderd procent in de aard van een verslaving. Niet: hoe kom ik er van af, maar: hoe blijf ik het in ieder geval een beetje. Dat is feitelijk het enige wat hij wil: af en toe gebruiken.

Het is dát verlangen dat hij de nek om moet draaien, daar moet hij tegen vechten. Je hoort mensen vaak zeggen: ‘Nooit meer drinken, dat klinkt zo groot!’ Best, denk dan: ‘Af en toe drinken ban ik uit mijn leven.’ En dat wordt hem steeds moeilijker gemaakt. Dus kijk niet zo naar ons, let it be. Maak ons niet telkens tot studieobject, doe als de astronoom, kijk naast de ster. Want het verandert toch niets. Het zit domweg in ons.

En nu, voor u. Ideaal is dus: je krijgt drie abstinente maanden en je maakt daar zelf een jaar van. En wat is er dan met dat jaar? Heel eenvoudig: nog slechts af en toe trekt de alcohol echt hevig aan mij. Het zijn niet meer dan felle flitsen geworden. Heel vaak dénk ik er al niet meer aan en dat was in het begin wel anders, toen was het voortdurend in mijn gedachten. Dat bereik je dus al met één nuchter jaar! Een terugval doet precies het tegenovergestelde, die werpt je een eind terug in de tijd. Hij activeert telkens opnieuw je verslaafde brein. Dat komt dus niet tot rust, het blijft wakker, het wil geprikkeld worden. Dat brein van mij heeft de hoop op die prikkeling al bijna opgegeven, dat voel ik aan alles. Nóg een jaar, en dan slaapt het bijna. Dit is ongeveer de termijn.

Alleen voor mij? Nee, helemaal niet. Tijdens de nazorg leerde ik een aantal mensen kennen die het precies zo deden als ik. Die zie ik af en toe nog. Ze zeggen allemaal hetzelfde: het wordt nu steeds gemakkelijker. Praten zij ooit over ziek of over gestoord of over onvermijdelijke terugvallen? Nee, nooit. Daarover praten alleen niet-verslaafden de hele tijd. Het doet er niet toe welke labels je aan het begrip verslaving hangt, een verslaving is precies wat het is. Het wordt je ondergang. Je móet het gebruik stoppen, je móet de neiging om af en toe te willen gebruiken in de kiem smoren. De kiem is: je entree in de verslavingszorg.

Je eigen behandeling, die je op jezelf toepast, die is natuurlijk de belangrijkste. In mijn geval hoorde daar bij: het boekje van Rik Zaal kopen en regelmatig het land in trekken. En een cursus gaan volgen, en nog een. Verhoog de kwaliteit van je leven, steeds verder en verder. Misschien zegt u tegen uw omgeving, uw naasten of naaste:

I never meant to cause you any sorrow
I never meant to cause you any pain

Mooi zo. Hou daar dan ook mee op. Het zijn de juiste woorden maar laat het ook zien!

En heel soms, ergens ver weg achter in mijn hoofd, hoor ik nog weleens een stem, die zegt: ‘Hee jij, tering-Pitt, ga eens drinken, gek!’ Dat is de Koning, zullen we maar zeggen. Die arme, bijna vergeten Koning Alcohol. Die mij zo nodig had, en ik hem. Maar nu vervaagt hij, meer en meer.

Pitt

19 — moderne inzichten

ziekenhuis2

Nu is het dus wel zo dat ik over heel veel dingen heel simpel denk. Eigenlijk over alle dingen. Gaandeweg je leven ontdek je dat de dingen een simpele kern hebben en wanneer je die eenmaal ziet, dan zie je ook alles wat er omheen draait. Maar nu komt het. Wanneer je op zoek bent naar een kern, dan is het zinloos om je daarop te focussen. Weet u hoe een astronoom een ster bestudeert? Hij kijkt ernaast. Hij richt zijn telescoop juist niet op de ster. Dan ziet hij niets. Alles wat hij over een ster leert, leert hij door te kijken naar wat er allemaal in de omgeving van het hemellichaam gebeurt. In één moeite door snapt u nu waarom ik in deze berichten weleens afdwaal, waarom ik het begrip verslaving in deze berichten net zo gemakkelijk loslaat als het telkens weer oppik. Wie de kern van iets wil beschrijven, komt altijd terecht bij de randverschijnselen ervan.

En juist hier, bij de randverschijnselen, kan het zo verschrikkelijk misgaan. Want zij bieden helaas ruimte voor interpretatie. Niet zozeer in de exacte wetenschappen, wel in de zogeheten menswetenschappen, waar ook de psychologie onder valt. Verschijnselen juist kunnen interpreteren is bijna een ambacht op zichzelf. Wanneer de astronoom publiceert dat hij rond de ster kleine blauwe mannetjes zag dansen, die vrolijk het Smurfenlied zongen, dan wordt hij direct opgesloten. Wanneer de psycholoog iets dergelijks schrijft over een groep verslaafden, dan wordt hij ogenblikkelijk in de adelstand verheven, alle vrouwen begeren hem, mannen knikken hem bewonderend toe, honden kwispelen hun staart. Wat Diederik Stapel — ooit hoogleraar sociale psychologie — zo pijnlijk aan het licht bracht is natuurlijk niet het feit dat de mens tot enorme fraude in staat is, maar wat écht schokkend was, dat was dat al zijn onzinnige beweringen en onderzoeken door zijn collega’s domweg geloofd werden. En trouwens: waar één Diederik Stapel is, zijn er uiteraard nog veel meer. Zelf kwam ik ooit zijdelings in contact met Roos Vonk, hoogleraar psychologie in Nijmegen, ook al zo’n lekker ding. Fraudeert niet, maar lult er gewoon maar wat op los. Dat zie je wel vaker gebeuren. Kortom: een grote mate van nederigheid en voorzichtigheid past de psycholoog wanneer hij over verslaafden een uitspraak doet. Dat roept de vraag op: vindt hij dat zelf ook?

Nee.

Toch ga ik in dit bericht een lans breken voor een mental coach die ik in de Jellinek leerde kennen, vooral ook door zijn grote betrokkenheid bij verslaafden. In dat opzicht is hij iemand van de oude school, zoals ik dat nu maar ben gaan noemen. Naam: Hans West. Net als ik heeft hij een weblog, al veel langer, googel zijn naam maar, zijn blog staat vol met ideeën over verslavingen. In meer dan één opzicht spiegelt hij mijn eigen persoon, namelijk: hij is erg zelfverzekerd in zijn optreden, het is buitengewoon lastig hem omver te blazen en bovendien denkt hij dat hij alles weet. Zelf denk ik dat ook.

Ik voer hem nu ten tonele omdat hij de enige behandelaar was die verslaafden af en toe flink confronteerde met hun onwetendheid over hun aandoening. Geveinsd onwetend of echt. Maar ook noem ik hem omdat er iets heel vreemds gebeurde: op sommige gebieden was ik het fundamenteel met hem oneens. Dat hield ik altijd voor mezelf, ik val een behandelaar in een groep niet af. Wel dacht ik: dit kán eigenlijk niet. Hij en ik kunnen wel over dingetjes van mening verschillen — over het eten in de kliniek, over de schoonheid van een vrouwelijke behandelaar — maar we kunnen over een verslaving niet fundamenteel anders denken. En toch gebeurde dat, toch doen we dat.

Waarom breng ik dit ter sprake? Dat hangt samen met het doel dat ik voor ogen heb, de bestaansreden van deze weblog. Drie dingen: 1. u aansporen om hulp te gaan zoeken; 2. u aansporen om daar alles uit te halen wat erin zit; 3. u aansporen om abstinent te worden en te blijven. Ten vierde: u wijzen op en waarschuwen voor het ongelooflijke vreemde vaarwater waarin de verslavingszorg in Nederland terecht is gekomen. Om uw behandeling ten volle te kunnen benutten, moet u proberen zich daar niet te veel van aan te trekken.

Stel, u bent de heer Jansen. Piet Jansen is de naam. U drinkt te veel en daardoor dreigt u alles in uw leven kwijt te raken. U gaat eindelijk naar een kliniek, maakt niet uit welke. Na een eerste gesprek komt u weer thuis en praat met uw partner aan de keukentafel.

‘Nou Piet, vertel eens, hoe ging het gesprek?’
‘O goed. Ik ben nu heel wat wijzer.’
‘Godzijdank! Noem eens iets.’
‘Nou, we moeten niet meer praten over mijn verslaving.’
‘Huh?’
‘Ja schat, ik ben namelijk ziek!’
‘Ziek?’
‘Yep, dat zijn de nieuwste inzichten.’
‘En wanneer ben je dan weer beter?’
‘Nooit!’
‘Nooit?’
‘Nee, ik heb een chronische ziekte!’
‘Chronisch?’
‘Yep, gaat nooit meer weg, lieverd. En dat is nog niet alles…’
‘Niet alles?’
‘Nee. Ik ben ook psychisch gestoord!’
‘Psychisch gestoord??’
‘Jazeker, dat zeggen ze. En ik heb 90 procent kans dat ik nog wel een tijdje doorga met drinken!’
‘En jij gelooft dat allemaal?’
‘Natuurlijk, het zijn de nieuwste inzichten.’

Piets vrouw doet nu het enige wat zij nog kán doen. Ze pakt haar koffers en zegt: ‘Dag Piet.’ Zij kan zich absoluut niet herinneren dat zij ooit trouwde met een chronisch zieke man die psychisch gestoord is. Haar moeder had haar wel gewaarschuwd voor hem, maar dat kwam doordat Piet bij moeder thuis een keer met de jeneverfles had zitten klieren, die vulde hij ’s nachts bij met water. (Dat was Piet helemaal niet, lezer, dat was ik. Tijdens het kennismakingsweekend met de ouders van mijn toenmalige vriendin, op het Limburgse platteland, nu lang geleden. Ik moest in de woonkamer op de bank slapen en ik dacht: ja, een man alleen, die moet toch wat? Ik maakte het dus gezellig, met wat jenever. De fles vulde ik onder de kraan bij zodat de vader de volgende dag ook nog wat had. Maar die proefde het meteen!)

Dat verslaving een chronische ziekte is leest u bij Hans West. Gelukkig vertelt hij ook nog zinnige dingen, die wél hout snijden. En dat u en ik psychisch gestoord zijn leest u overal, bijvoorbeeld bij Jaap van der Stel. Die werkte in de verslavingszorg én de GGZ, promoveerde cum laude op het proefschrift Vijf eeuwen drankbestrijding en alcoholhulpverlening in Nederland. Hij klaagt er in een column over dat de verslavingszorg apart wil blijven van de algemene psychiatrische zorg. Iets wat ik dus erg normaal vind! Het voelt zo heel erg vreemd om het doorlopend met die figuren oneens te zijn… Jaap van der Stel schrijft:

Buitenstaanders ervaren de verslavingszorg nog steeds als naar binnen gekeerd. Wetenschappers, psychiaters en klinisch psychologen betogen al lang dat verslaving een psychische stoornis is als alle andere. Het idee dat verslaafden zoveel verschillen van de rest van de GGZ-populatie berust op een misverstand.

Tja. Wetenschappers, psychiaters en klinisch psychologen… die zeggen het… niet alleen wetenschappers, maar ook psychiaters. En klinisch psychologen, zij zeggen het ook… En in een piepklein hoekje van het immense internet, daar zit Pitt… een verslaafde, nu meer dan een jaar droog, en hij zegt tegen u: geloof ze niet, geloof ze alsjeblieft niet…

Stel dat een behandelaar in de Jellinek tegen mij gezegd had: ‘Pitt, als ik met jou praat, dan ben ik me ervan bewust dat jij psychisch gestoord bent.’ Ik zou opstaan, naar huis gaan en daar blijven. Einde verhaal. Gelukkig zeiden ze dat niet, want ik had de kliniek hard nodig. Niet de moderne inzichten eromheen. Je kunt zeggen: ‘Maar Pitt, dat is gewoon de waan van de dag! Over tien jaar denken ze weer wat anders!’ Dat is waar. Ik had er dan ook geen last van. En ook u druk ik op het hart: luister er niet naar. U hebt wel iets anders aan uw hoofd. U moet uw verslaving bedwingen. En bedwongen houden.

Pitt

18 — stoepbloemen

stoepbloemen

‘Kijk, als ik jou vraag: “Laat eens zien wat je kunt,” dan zul jij mij dus laten zien wat je kunt. Dat is logisch. Maar dan weet ik meteen wat jij níet kunt, want dat laat je niet zien.’

Een soort goddelijke logica en er zit ook wel iets in.

Ik was een keer in Italië aan de kust, vlak boven het plaatsje Ventimiglia. Letterlijk erboven, want vanaf de uitlopers van de Alpen keken we neer op de stad. Tegen mijn reisgenote zei ik toen: ‘Ventimiglia betekent “duizend winden”… en daarmee bedoelen de mensen hier de duizend winden die duizend verhalen kennen. Duizend verhalen over duizend mensen, de verhalen van rampspoed, van afzien en lijden, van een dwaze en ongelukkige liefde, van een dwaze en noodlottige verslaving, van de dingen die begonnen met eenvoudige uitglijders, waar geen acht op werd geslagen, die niet gezien werden. Verhalen over de mens, in zijn erbarmelijkste staat…’

En duizend tranen stroomden over haar wangen, van ontroering, bij het neerzien op een stad die daarom ‘duizend winden’ heette. Voor dit soort gelegenheden steek ik altijdeen schone zakdoek bij me, elke ochtend opnieuw. En voorzichtig depte ik haar tranen.

Er is ook nog zoiets als de werkelijkheid. In werkelijkheid betekent de naam Ventimiglia niet ‘duizend winden’ maar ‘twintig mijl’, dat is de afstand naar de grens met Frankrijk.

Een andere keer, in West-Afrika, aan de rand van de Sahara, sliep ik met iemand boven op het dak van een piepklein hotelletje, ’s nachts was het daar heerlijk koel, bijna koud. We keken naar de volgepakte sterrenhemel boven ons, elke enkele ster zo ver weg maar alle tezamen zo dichtbij, en hier op aarde hoorden we in de achtergrond het balken van een ezel. Het doordringende eenzame gebalk in de nacht. Ik zei tegen haar: ‘Ezels doen dat omdat zij heel erg bang zijn in het donker. Zij willen daarom hun stem horen, hun eigen geluid.’ En omdat ik geen zakdoek bij me had, kuste ik háár tranen droog.

Zo.

De verhalen, de werkelijkheid en de Dichtung und Wahrheit. Wat zijn die twintig mijl naar Frankrijk mij waard, het getal betekent alleen maar iets wanneer ik die afstand moet afleggen. Maar in duizend winden kan ik wonen, het is de stad waar ik altijd ben en bij mij om de hoek staat in de nacht een ezel te balken, of hoor ik het huilen van een hond.

Maar, o moeder aller verslaafden, hoe kom ik nu van hier weer bij de drankzucht? Dit afdwalen wat ik soms doe, heeft altijd zin, ik weet dat ik er iets mee wil zeggen, maar niet altijd weet ik hoe ik daar kom. Het geheim is: niet bang zijn. Balk of huil zo veel je wilt, maar wees niet bang. Je ziet veel angst in het gebouw, in de kliniek. Wat ik zou noemen: levensangst. Als je goed kijkt zie je die weliswaar bij ieder mens, het hoort er nu eenmaal bij, maar hier zoemt het voortdurend aan de oppervlakte, als het geluid dat opstijgt uit een geopende bijenkast. Dat is ook niet verwonderlijk, want waar levenskunst eerst vervaagt en ten slotte verdwijnt, neemt levensangst haar plaats in. De verslaafde denkt: ‘Mijn middel is weg, wat moet ik?’ Dat is een hele goede vraag, maar in de samenleving van nu, en ook in de klinieken van nu, wordt die leegte soms erg snel gevuld met antidepressiva en wat er nog meer is. Een tobbende geest sus je in slaap. Juist wanneer die geest reden heeft om te tobben, dan demp je dat. Precies wat de verslaafde toch al deed.

Er is maar één advies dat ik kan geven aan mensen die na hun ontnuchtering aanlopen tegen gevoelens van existentiële eenzaamheid, die zich alleen voelen in hun bestaan: word er maar vrienden mee. Dat gaat echt niet meer weg. Steek je de sleutel in het slot dan zit het op de bank op je te wachten, schonk zichzelf vast iets in – ja, ook dat nog, hij wel – maakte het zich gemakkelijk, doet alsof hij thuis is. Dat is hij ook. Wat je kunt doen is: nieuwe vrienden erbij zoeken. Zorgen dat die er óók zijn wanneer je thuiskomt. Nieuwe vrienden? Dat is:

een nieuwe interesse
een nieuwe bezigheid
een nieuwe intensieve liefhebberij
een aantal nieuwe mensen om je heen
een nieuwe levensinstelling.

Krijgt de verslaafde dit alles zomaar cadeau? Nee.

Niet alle angst is slecht, natuurlijk niet. Af en toe kwam ik in het gebouw mensen tegen die doodsbang waren voor een terugval. Bij die mensen sloot ik me aan, deze angst deelde ik. Het gebouw is een aparte wereld, het heeft eigen wetten en gebruiken, eigen uitdrukkingen en gezegden. Anders dan in de buitenwereld geldt hier: angst is een heel goede raadgever. Het houdt je scherp, alert, op je hoede.

Ik heb in een jaar lang nazorg maar één keer meegemaakt dat iemand op een terugval reageerde zoals ik er zelf op gereageerd zou hebben: de man was wanhopig. Driemaal liet hij het gebeuren, elke terugval werd natuurlijk steeds erger, de laatste keer vertelde hij er in de groep huilend over. Zijn wanhoop zorgde voor iets heel belangrijks: hij luisterde aandachtig toen mensen op hem in begonnen te praten. Ikzelf deed daaraan mee, ik zei tegen hem: je móet weer een behandeling doen, maar zwaarder dan de dagbehandeling, nu de Jellinek Minnesota. Uiteindelijk deed hij dat. Ik dacht: juist door zijn wanhoop heeft hij een kans om hier weer uit te komen. Alle andere terugvallen die ik meemaakte werden min of meer terloops vermeld, onaangedaan, het moment waarop cliënten en behandelaars spreken van uitglijders. In de nazorggroep kwam dit woord een keer aan de orde, behandelaar Martin vroeg: ‘Wat vinden jullie eigenlijk van het begrip uitglijder?’ Eén vrouw verwoordde het perfect: ‘Het woord maakt me rustig. Als ik mijn uitglijder als een terugval zou zien, zou ik daar paniekerig van worden.’

Wat zij ‘paniek’ noemt, wat zij dus op afstand houdt, is nu juist precies wat zij nodig heeft. Alarmfase rood. De noodtoestand. De staat van beleg. Sommigen, die een terugval melden, zeggen erbij, zoals ze dat geleerd hebben: ‘Tja, verslaving is een ziekte, hè?’ Tja. Dat hou je toch. Doe je niks tegen. 90 procent redt het niet zonder een lange reeks terugvallen. Dat is logisch. Maar de werkelijkheid, o lezer, die is heel anders. Het is een eigenaardig trekje van de werkelijkheid om altijd heel anders te zijn dan zij zich laat zien. Daarom ga ik hier nu weer iets opmerkelijks zeggen.

De werkelijkheid is: op het moment dat een verslaafde begint aan zijn behandeling, staat al bijna helemaal vast of hij het redt of niet. Andere verslaafden om hem heen, degenen die serieus zijn, voelen dat feilloos aan: jij wel, jij niet, jij niet, jij heel misschien. Zij zien het, letterlijk. Het zit in houding, instelling, in mentaliteit, in woord en gebaar, in waarachtigheid, trots, openheid, interesse in de nieuwe omgeving, in nieuwsgierigheid naar lotgenoten, het zit overal in, een vriendelijk woord, een gul gebaar, het nakomen van afspraken, in alles. In elke hoek van het gebouw kun je het vinden, in een handvol stof of gruis, in het kleinste zuchtje wind dat in de tuin langs je gezicht strijkt. In hoe je kijkt, het maken van oogcontact, je verschijning, hoe je de trappen in het gebouw omhoog klimt en hoe je die weer afdaalt.

Hoe je in je stoel zit.

Degene die je wilt worden moet op zijn minst al wakker zijn.

Natuurlijk heb ik het afgelopen jaar vaak genoeg tegen de enorme trek in alcohol moeten vechten en natuurlijk zal ik daar nog over schrijven. Ik weet hoe moeilijk dat kan zijn. Maar ik weet dus ook dat je dat gevecht kunt winnen. En op dit terrein geldt: alles wat ík kan, kunt u ook.

In bericht 16 de eed, schreef ik dat alleen abstinentie de verslaafde weer toegang geeft, dat het leven zich voor hem weer opent. Ik schreef er wijselijk niet bij hoe dat dan letterlijk gaat! Want ik mag dan wel drankzuchtig zijn, maar ik ben ook weer niet gek. Iedereen voelt wel aan wat ik daarmee bedoel, dat moet ik niet willen uitleggen, dan slaat het dood. Grappig genoeg kan ik het nu wél laten zien… want kort geleden verscheen er een mooi boekje, een klein verhaal in tekeningen, geen enkele tekst. Het geeft antwoord op de vraag: hoe ziet een geopend leven er uit?

Het is eigenlijk een prentenboek voor kinderen. Enkele keren in de geschiedenis verschenen er kinderboeken die juist op volwassenen een verpletterende indruk maakten. Bekende voorbeelden zijn De kleine prins en Alice in wonderland. Misschien is dit ook zoiets, in ieder geval ontroerde het boekje mij — ook door de sfeervolle tekeningen — en het verhaaltje zelf sluit precies aan bij de dingen waar ik het vaak over heb. De uitgever vertaalde de originele titel Sidewalk flowers in het vrij stupide Blommetjes, waar Stoepbloemen nu juist perfect was geweest.

Een klein meisje loopt met haar vader door een stad, meer gebeurt er niet. Zijn wereld is gesloten, die van haar open. In zijn wereld heeft hij slechts oog en oor voor zijn smartphone, in haar wereld ziet zij voortdurend stoepbloemen, die opkomen en bloeien tussen stoeptegels. Die plukt zij. Haar wereld is intens en vol symbolen, de zijne is star, uitsluitend gericht op de uiterlijkheden van de sociale media. Met de bloemen die zij telkens plukt dóet ze iets, zij geeft ze weg, op straat aan een hondje dat alleen is of zij legt ze bij een dode vogel. De kracht van een ogenschijnlijk klein gebaar, die straalt je tegemoet. De tekeningen zijn in het begin kleurloos, in grijstinten, alleen zij gaat in een rood jasje en ook haar bloemen zijn gekleurd. Later ontdooit de vader een beetje, kijkt eindelijk om zich heen, ziet nu ook háár, de tekeningen worden dan steeds meer ingekleurd.

De vader, dat was u. Dat meisje, dat bént u. Althans, dat is de bedoeling. Dat zal niet zo eenvoudig zijn. Maar probeer haar, en haar bloemen, dan tenminste te zien.

Pittstoepbloemen5

 

17 — heerlijk, helder Pasen

pasen2

Nou! Omdat het Vrolijk Pasen is en omdat de feestdagen voor drooggelegde verslaafden moeilijke dagen kunnen zijn, volgt hier een vrolijk bericht om u wat op te vrolijken. Omdat de Jellinek geen ex-cliënten meer uitnodigt om hun verhaal te doen, kom ik nu met een kort en grappig verhaal over de tijd dat dat nog wél gebeurde.

Kort voor de eeuwwisseling ging dat nog allemaal heel anders. Mensen die sinds hun opname al een flinke tijd nuchter door het leven gingen, kwamen daarover in de kliniek regelmatig vertellen: hoe ging het nu met hen, welke hobbels hadden zij genomen, hoe deden zij dat en hoe voelen zij zich nu, nu zij al geruime tijd droogstaan. Eigenlijk deden zij wat ik hier in deze weblog probeer te doen: vertellen hoe het is om niet meer te gebruiken en hoe je dat volhoudt. Ik weet dat ook cliënten van nu graag naar verhalen van juist déze ervaringsdeskundigen zouden luisteren, maar de leiding van de Jellinek vindt dat niet nodig. Waarschijnlijk zijn bezoekjes van ex-cliënten niet evidence-based.

Het toverwoord evidence-based, ooit de verslavingszorg binnengehaald als zegen, ontpopte zich als regelrechte vloek. Iets binnenhalen waarvan de effectiviteit bewezen is, kan nooit kwaad, dingen buitensluiten, alleen maar omdat hard bewijs ontbreekt, zal dat uiteindelijk wél doen.

Om de vrolijkheid te dienen en louter voor de grap gaan we even terug naar de Heinzekliniek in dit gebouw, we schrijven dan 1995. De bezoekjes van die ex-cliënten waren goed georganiseerd, de leiding trok er een flink deel van de avond voor uit. Dat moest wel in de avond want de verslaafden mochten uitnodigen wie zij maar wilden. Het waren dus tegelijkertijd opgewekte avonden voor geliefden, familie en vrienden, één keer in de maand. Zo’n voormalige cliënt, die het al lange tijd redde, gaf hen natuurlijk hoop! Die weer afstraalde op hun naaste. Dit gebouw werd daardoor een plaats van geloof en hoop, soms hebben gebouwen dat. Geloof bij de cliënt, hoop bij zijn beminden. De avonden werden altijd druk bezocht, wij verslaafden, toch zo’n vijfentwintig man sterk, waren in onze eigen kliniek opeens veruit in de minderheid, net als in het gewone leven. We hadden een ruime zaal tot onze beschikking, met een klein podium vooraan, waarop de ex-cliënt plaatsnam. Telkens dacht ik: hij liever dan ik! Hij moest de tijd op een zinnige manier zien vol te praten.

Het waren leuke, enerverende avonden. Het mooiste onderdeel vond ik het vragenuurtje, na afloop van zijn levensverhaal en herstelverhaal. Op sommige avonden kreeg de deskundige dan een regen van vragen op zich afgevuurd, als een spervuur. Gelukkig kunnen verslaafden wel tegen een stootje en wat mitrailleurgeratel. Je kunt ze volpompen met lood, alcohol of opiaten, geen gif is hen te veel; ze lopen gewoon door.

Het is nu zo’n avond… in de Heinze. Over een uur komen alle gasten, we zitten gezamenlijk aan de broodmaaltijd. Ik word op mijn schouder getikt, de legendarische behandelaar Ria Lochtenberg staat achter me. Ze wil me iets zeggen, ik draai me om.

‘Pitt, de ex-cliënt van vanavond kan opeens niet komen.’
‘Wat is er met hem?’
‘Hij kan niet staan.’
‘Nou en? Hij zit toch altijd?’
‘Ja, eh… dat kan hij ook niet.’
‘Wat kan hij dan wél?’
‘Eigenlijk niks. Hij is tijdelijk in een soort coma.’
‘Tijdelijk in een soort coma?’
‘Doe nou niet zo moeilijk, man, hij is gewoon stomdronken!’
‘Maar dan hebben we geen familieavond!’
‘We hebben overlegd. We willen jóu vragen om te spreken.’
‘Mij??’
‘Het moet, we kunnen al die mensen niet voor niets laten komen.’
‘Maar ik ben nog gewoon een halfgare cliënt!’
‘Dit is een noodsituatie. Denk er even over na. Je hebt een kwartier.’

Totaal verbijsterd ga ik van tafel. Ik weet niet hoe ik het heb. Ik ben hier nu twee maanden! Hoe kan ik nou een zaal vol verslaafden en familie en vrienden toespreken, wat moet ik in hemelsnaam zéggen? (Van de huidige behandelaars denkt een aantal nu: hahaha! Pitt weet niet wat hij moet zeggen! Daar hadden we bij willen zijn!)

Meteen weet ik: hier kom ik nooit uit. Er is te veel tegen en te veel voor. Ik kan de Jellinek niet in de steek laten en ik kan evenmin op dat podium voor gek gaan staan. Goede raad lijkt nu erg duur. Opeens komt cliënt Harry in mijn gedachten. Nu weet ik wat ik moet doen. Harry is een apart geval in onze Heinzekliniek: hij is de enige die openlijk zijn geloof belijdt. Daarom ook mag hij als enige, eenmaal per week, om vijf uur ’s middags al de tv aanzetten. Want dan komt Little house on the prairie, van de Evangelische Omroep. Soms zit ik naast hem en kijk mee, ik vind dat wel aardig, zo’n keurig gezin op de prairie, dat ongewenst bezoek krijgt van een idioot op een paard. Of er is weer eens een cowboy aan de drank, in de local saloon. Met een flinke dosis liefde en vertrouwen redt het gezin zich uit de neteligste situaties. Nu, omdat wij op slaapzalen liggen, weet ik dat er naast Harry’s bed een Bijbel ligt en ik ga naar boven. Mijn plan is simpel: ik sla de Bijbel op een willekeurige plaats open, kijk bovenaan de rechterpagina en ik doe wat daar staat. Nog veel verder terug in de tijd gebruikten mensen voor deze methode het Chinese orakelboek de I-Tjing, het Boek der Veranderingen. Ik zit op Harry’s bed en ik lees: ‘Vrees niet het lijden dat u te wachten staat.’ Ah! Uit de Openbaringen, ook nog. Mijn besluit is genomen: ik vrees niks, ik ga optreden! Ach, lezer, ik was toen nog zo jong en zo groen!

De avond begint, de zaal is afgeladen… Hans van Thiel, het hoofd van de Heinzekliniek, leidt mij in. Het voelt goed om zijn naam hier te noemen. Hij is er op deze avonden altijd bij, zit vooraan, af en toe neemt hij een enkele publieksvraag voor zijn rekening, dan licht hij iets toe. Ik klim het podium op… Het gaat wonderlijk goed! Ik spreek over mijn leven alsof ik nooit anders gedaan heb. Ik praat alsof mijn leven mij veel waard is. Alsof het te kostbaar is om zomaar aan drank te verliezen. Alsof mijn leven nu van deze opname afhangt. En mijn toekomst. Zo praat ik, aan één stuk door.

Na een tijdje zie ik Hans van Thiel driftig gebaren, met de vlakke handen maakt hij horizontale kapbewegingen: genoeg, hou nou verder je kop! Ik sluit af. Dan volgen de vragen uit het publiek. Ik krijg het voor mijn kiezen, er zit een journaliste in de zaal. Zij vraagt dóór, haar vragen worden steeds scherper. En ik word dat ook. Ik geniet hier opeens heel erg van. Kom maar op!

Veel later hoor ik dat de behandelaars die middag, nog vóór het etensuur, dat die hele club ongelooflijke ratten, weddenschappen op mij hadden afgesloten. Of ik zou spreken of niet. Tot mijn grote genoegen verloor Ria Lochtenberg daardoor 25 gulden, zij had gewed: hij doet het niet! Ze had beter moeten weten. In het algemeen is het goed wanneer behandelaars weten met wie zij te maken hebben.

Na de kliniek leren Ria en ik elkaar erg goed kennen. Ik doe bij haar de nazorg, die toen bestond uit wekelijkse een-op-een gesprekken, een jaar lang. En ik blijf vijf lange jaren nuchter. Wat er toen mis ging, daar kom ik natuurlijk nog op.

Pitt

16 — de eed

hippocrates2

Je hoort mensen over de microkosmos — de wereld van de kleinste deeltjes — vaak zeggen dat de dingen daar zo wonderlijk zijn, heel anders dan bij ons, zo onvoorstelbaar en bijna magisch. Natuurlijk is dat maar onzin. Al mijn leven lang vind ik de dingen op ons eigen macroniveau wonderlijk, onvoorstelbaar en volkomen magisch. Ik zou er helemaal paf van staan wanneer de dingen op microniveau opeens keurig in het gelid stonden, dat daar alles naar wens geregeld is, en voor een normaal mens begrijpelijk zouden zijn. Er is, met andere woorden, geen principieel verschil tussen de micro- en de macrowereld, er is alleen een gradueel verschil, want je kunt wél volhouden dat bij hen alles veel kleiner is dan bij ons.

In de microkosmos zijn de dingen heel erg klein.

Met deze laatste zin wil ik aangeven dat ik in principe alleen maar dingen opschrijf die waar zijn. Het feit, echter, dat ik reeds lange tijd een drankzuchtige ben, verraadt dat ik ongelooflijk goed kan liegen. Het is van tweeën één: ik spreek hier de waarheid of ik lieg. Maar liegen gebeurt niet in deze weblog, dat zal niet gaan. Het voelt alsof ik aan een eed gebonden ben, de eerste regels van de eed van Hippocrates.

  1. Ik zweer bij Apollo, de genezer, en neem alle goden en godinnen tot getuige, om de volgende eed te houden: ik zal naar mijn beste oordeel en vermogen, en om bestwil van de zieken, hen een leefregel voorschrijven.

Mooi zo. Dat had ik zelf niet beter kunnen formuleren: zieken een leefregel voorschrijven. Ik kan u niet volstoppen met pillen, dus ik kom met heel eenvoudige leefregels, ik vertel alleen maar hoe het kan en hoe het moet. Niets nieuws onder de zon, want Hippocrates en ik overspannen een kloof in de tijd van 25 eeuwen. Leefregels met mijzelf als levende getuige en als voorbeeld dat zij ook echt werken. Daarom kom ik straks in dit bericht met iets bijzonders, vooral eigenlijk omdat ik opeens ergens mee zit. Ik vind namelijk dat ik soms, wanneer ik u toespreek, dat ik dan helemaal niet vriendelijk ben. Niet warm. Ik zet mijzelf niet neer als een mensenmens. Dat komt door een karakterzwakte die ik van mijn moeder overerfde: ik heb geen talent voor geduld met mensen. In feite vind ik bijna iedereen een idioot. Geduld kan ik dus nauwelijks opbrengen, wel met kinderen. En ook met hun omkering: de ouden van dagen. Begin en einde, daar ben ik eigenlijk van, ik ben een man van aankomst en vertrek. Met daartussenin wat bombarie, mijn woorden, de muziek erbij. Dus ook op mijn weblog haal ik bij lange na het niveau van de behandelaars niet, want die zijn dat wél, toeschietelijk en vriendelijk, voortdurend. Kom maar kijken, zou ik zeggen, meld u hier aan en zie het met eigen ogen. Zelfs wanneer u het in de kliniek wel erg bont hebt gemaakt, té bont, dan vertellen zij u op beminnelijke toon: opzouten graag, nagemaakte die je bent, de kliniek uit met jou. Maar dan in andere bewoordingen, zo veel vriendelijker, zo veel zachter.

En, heel belangrijk, zij zullen erbij zeggen: ‘Kom terug… meld je opnieuw aan.’ Dat zou ik dan ook doen.

Af en toe gebruiken cliënten het middel van eruitgegooid worden om tegen de buitenwereld te kunnen zeggen: ik wilde wel, maar verdikkie, ik werd er uitgegooid! Verslaafden zeggen overigens niet vaak verdikkie. Eerder bijvoorbeeld tering. Het Nederlandse volk is het enige ter wereld dat ernstige aandoeningen inzet bij scheldpartijen. Daarom hoor je hier vaak: krijg de drankzucht! Ik was erbij toen een verwijderde verslaafde brieste: ‘Omdat ik eerlijk was over mijn terugvallen, terwijl anderen die verbergen, moet ik er nu uit!’ Het idiote was: ik vond dat hij daarmee wel een punt had! Het was weliswaar een eerlijkheid die nergens op sloeg, maar hij wás het wel degelijk. Zo vaak zag ik de buisjes in een rekje staan — na het inleveren van de wekelijkse urine — met daarin gewoon wat kraanwater. De uitslagen worden een week later in de groep voorgelezen: ‘Jansen, geen uitslag, te waterig.’ Jansen: ‘Huh? Ik denk dat ik vorige week veel water dronk!’ Ik denk het niet. Want in werkelijkheid moet je daarvoor in heel korte tijd zo veel drinken dat je het risico van watervergiftiging loopt. De kraan op het toilet is dan wel wat veiliger!

Ach, mijn Jellinek, laat de dingen niet zo verstoffen, versloffen, verslonzen. Gooi de cliënt zijn waterbuisje letterlijk voor de voeten, stamp het plat, breek het in duizend stukken, en zeg: ‘Opnieuw!’ Hélp die gasten, pik niet zo veel van ze. Je moet ze dúwen, het is niet anders.

  1. Nooit zal ik, om iemand te gerieven, een dodelijk middel voorschrijven of een raad geven, die, als hij wordt opgevolgd, zal leiden tot de dood.

Goed zo, Hippo. Zelf doe ik dat ook nooit en je zou willen dat veel meer artsen dit voornemen hebben. In het OLVG kreeg ik een keer te horen dat ik een tumor in mijn been had. Ik wilde toen best geloven dat ik íets had, maar dát toch niet en uiteindelijk bleek het zelfs helemaal niks te zijn. Met dokters hád ik al weinig geduld en nu helemaal niet meer, alleen nog met dr. Hippocrates. In het Jellinekgebouw werken nu maar liefst vijftien artsen, een werkelijk ongelooflijk groot aantal. In mijn tijd in de Heinzekliniek kwam ik die ene arts, een van de twee, een keer tegen in de gang. ‘Hee doc!’ zei ik, in het voorbijgaan. ‘Zo, leef jij nog?’ groette hij terug. Want hij had me zien binnenkomen. Het is niet langer dan twee decennia geleden, maar de dingen in het gebouw waren toen zo heel veel meer no-nonsense dan nu.

Wat er nú aan de hand is, dat is het probleem waar iedereen hier mee worstelt, wat ik nu even noem: het 90 procent-probleem, de lange reeks terugvallen die 90 procent van de cliënten ‘noodgedwongen’ heeft. Móet dat zo? Nee, natuurlijk niet. Weg met die 90 procent, ban het uit uw hoofd, het is maar een onnozel percentage, dat hooguit ú kunt vullen! Of dus niet! Wat ik nu gezien heb, dat is dat het 90 procent-denken ernstige gevolgen heeft gehad voor de Jellinek. Iedereen vindt de berg terugvallen doodnormaal, de directie, de beleidsmakers, de managers, de behandelaars, de psychologen, de artsen, de receptie, het onderhoudspersoneel, de schoonmakers, de buurtbewoners, voorbijgangers op straat, een duif in de tuin, twee vliegen op een vensterbank, alles en iedereen vindt terugvallen normaal, maar ik niet! En het ergste van alles is nog wel: de cliënten vinden het ook… Ik nam een kijkje bij de KBO (de klinische behandeling, intern), ik hoorde de verhalen erover, ik zag hoe deze afdeling tot op het bot verloederd is — met godzijdank nog wél de fonkelende eenpersoonskamers, met badkamer en wifi — en ik onderging de dagbehandeling, waarvan de opzet erg goed is, een behandelingsvorm waar ik heel erg blij mee was en die mij de nuchterheid weer in duwde, maar die ook zo veel krachtiger had kunnen zijn. De capitulatiecultuur die ruim tien jaar geleden is ingezet, heerst nog volop

‘Nou nou, Pitt, mag het ook ietsje minder zijn?’

Nee.

Abstinentie is niet een ideaalbeeld dat in de geest bestaat maar in werkelijkheid nauwelijks haalbaar is. Het is niet een streven, ergens ver weg in de tijd gezet, het is uitgangspunt, van nu. Blijvende abstinentie wordt vaak genoeg gehaald, nu weer door mij en door anderen mét mij, met wie ik ditmaal in de Jellinek was. Ik was erg blij met hen. Wij zijn er altijd. Altijd.

Het enige waar veel verslaafden in de kliniek nog mee worstelen, is de gedachte dat hun gebruik een deel van hun leven is. Was dat maar zo. Het is niet een deel, het is hun leven, elke minuut van de dag, ook als hij weer eens twee weken nuchter is, of een maand, dan wacht hij gewoon even, hij neemt een pauze. Het is zijn leven en het wordt zijn dood. In de kliniek lijkt het alsof zijn gebruik — nu immers in de vorm van terugvallen — inderdaad alleen maar een deel van zijn leven is. Eindelijk! Natuurlijk grijpt hij dat deel met beide handen aan, niemand houdt hem tegen. Hij mág drie terugvallen hebben, hij mag ze ‘uitglijers’ noemen en de andere terugvallen knutselt hij er zelf bij, gedragen door zijn waterige urine. Al die terugvallen neemt hij vervolgens mee naar de nazorg en daar zet dit feest zich voort. De nazorg als afterparty.

Meld u hier aan, dat blijf ik zeggen, dit is een goede plaats  — het is en blijft mijn Jellinek — er zijn veel klinieken in ons land, steeds meer, de Jellinek is de oudste, het meest ervaren en het meest vertrouwde instituut, en er zit niets anders op dan te komen, want u moet stoppen. Maar doe er dan niet aan mee, trek die zogenaamde 90 procent naar beneden. Drie maanden niet drinken, niet gebruiken, is dát nou zo moeilijk? Dát al? Ach, blijf dan eigenlijk maar thuis. Jan, Piet, Joris en Corneel!, die hebben baarden, die hebben baarden! Zij varen mee.

Dit bericht loopt uit, ik ga ver over de tijdspanne heen die de moderne lezer kan opbrengen, ik rek uw aandachtsboog nu tot het uiterste op, dat is dan maar zo, want ik ga nu iets opmerkelijks zeggen, iets wat u in geen enkele kliniek zult horen, blijf dus nog even. Neem een pauze, ga naar het toilet, strek de armen, strek de benen en kom hier terug, bij mij.

Ik heb altijd gevonden: de verslaafde die echt wil stoppen, bevindt zich dan opeens in een buitengewoon benijdenswaardige positie. Benijdenswaardig ten opzichte van zijn medemens, die niet verslaafd is. Jaloersmakend is hij, op twee manieren.

  1. In de eerste plaats vanwege de bijzondere situatie waarin hij terecht komt. Een situatie die in een gewoon mensenleven zeldzaam is. Bijna luxe te noemen: luxueus in zijn eenvoud. Zodra een verslaafde werkelijk tegen zichzelf zegt: ‘Stop,’ precies op dat moment staat al dit comfort naast hem en loopt met hem mee. De luxe is: wanneer je stopt, doet niets er meer toe, niet waar je tegen opziet, niet wat je eigenlijk zou willen, niet wat je níet wilt, niet wat je gehoopt had, niet wat je verlangt, niet wat je verwachtte, niet wat teleurstelt, niet wat tegenvalt, niet wat gebeurd is, niet wat níet gebeurd is, niet wat je wilt houden, niet wat je kwijtraakt, niet wat je leuk vindt, niet wat je angst aanjaagt, niet wat je haat, niet wat je liefhebt, niet wat je triest stemt, niet wat je gelukkig maakt. Helemaal niets meer. Er is maar één ding dat telt… stoppen en gestopt blijven. Meer is er niet. Leven of niet-leven. Dat is alles.

Niet veel mensen maken dat mee, dat een tijdlang niets er meer toe doet, alleen nog dat ene. Zoveel eenvoud in uw leven zal niet nog eens komen. Hooguit wanneer het oorlog is… en dat is het dus eigenlijk ook.

  1. In de tweede plaats benijdenswaardig vanwege het volgende. Oef, dit wordt moeilijk, hoe zeg ik dit goed. Waar ben ik aan begonnen? Ben ik eigenlijk wel goed bij mijn hoofd? Hart, spreek! Of zwijg, voor altijd. Laat ik, om dit goed onder woorden te brengen, iemand erbij halen, Adri, uit bericht 3 — vreemde snuiters, de snorfiets verhuurder, alcohol, nu meer dan een jaar droog. Ik ken hem dus uitsluitend uit onze inrichting. Nu, over hém zeg ik: hij ging als een beter mens de kliniek uit dan hij erin kwam. Dit is de waarheid. Hij is Adri 2.0 geworden.

Hoe kan dit? Hoeveel mensen kent u in uw omgeving die in een jaar tijd zo veranderden? Die zichzelf vastpakten, binnenstebuiten keerden, ombogen, en zich eindelijk omdraaiden? Die zichzelf daarna werkelijk van hun beste kant lieten zien, een kant die zij blijkbaar opnieuw ontdekten? Ik ken geen gewone burger die dat lukte.

Ik ken wél veel tobbers, ik ken genoeg mensen met een burn-out, mensen die door tegenslag verlamd raakten, mensen die nergens mee zitten maar volledig vastliepen in tv-kijken, mensen die eindeloze therapieën volgen, die eindeloos zelfhulpboeken lezen — geluk in vijf dagen — een miljoen mensen die antidepressiva slikken, ontelbaren die al zo lang aan de slaappillen zijn, en ik ken er zo veel die elke vorm van religie verketteren maar wel wanhopig op zoek zijn naar de zin van het leven, die zij kennelijk onderweg ergens kwijtraakten.

Benijdenswaardig zijn de verslaafden… want zij moeten zich hervinden, herstellen, herpakken, omvormen en hervormen — in betrekkelijk korte tijd — zij moeten iemand anders worden dan zij waren. En nu het belangrijkste: dat gebeurt ook! Dat doen zij! De dwang, het heilig moeten, is zó groot, dat het hen lukt.

Vooropgesteld dat zij om te beginnen een jaar nuchter zijn. Geen terugvallen, want die werpen hen telkens direct een eind terug in de tijd. Na een jaar hebben zij het begin van hun verandering in handen. En alleen al dat begin, dat is al meer dan waar gewone mensen van kunnen dromen. En dan verder, steeds weer verder.

En de beloningen, waar veel abstinente verslaafden zo naar hunkeren? Die komen helemaal niet, want die zijn er niet. Er komt iets heel anders, iets veel groters. Het leven zélf opent zich weer, het geeft de verslaafden weer toegang. Zij moeten niet denken dat die toegang alleen voor hén versperd leek. Dat geldt voor zovelen. Maar zij hebben geen keus, hij moet open. En alleen abstinentie breekt er doorheen. En alleen abstinentie houdt dat vast.

Blijf een jaar nuchter en u verandert. Dat zweer ik u. Die eed leg ik af.

Pitt

omhoog

15 — niveauverschil

dope fiend

Het grote en het kleine, daar begin ik nu eens mee. Het grote, dat betekent: ik kan u meenemen naar beneden, ik kan vertellen over de meedogenloze neergang waar een verslaving toe leidt, hoe diep dat gaat, hoe donker het dan wordt en hoe het daar voelt, of ik houd het klein en neem u juist mee naar boven, naar de oppervlakte, naar de glinstering van het water, en dan de lucht,  waar het leven licht is en de dingen geordend. Dan gaan we misschien wel vér, maar niet diep of hoog. Dat kan allemaal.

Stel dat een lezer tegen mij zegt: ‘Zeg Pitt, dit is nu je vijftiende bericht op je weblog, wat wil jij eigenlijk?’ Maar wat doet het ertoe wat ik wil, ik weet niet of iemand het nog weet, maar dit is een verslag van mijn dagbehandeling in de Jellinek. Het wonderlijke eraan is alleen dat dit verslag langer lijkt te gaan duren dan de behandeling zelf. Met andere woorden: u bent sneller klaar wanneer u zich gewoon bij de Jellinek aanmeldt. Liefst vandaag nog. Of, zoals verslaafden zich altijd voornemen: morgen. Oké, morgen kan ook. Of overmorgen, dat is toch veel beter? Ja, dat is vroeg genoeg. Wanneer u zich aanmeldt, begin dan doodeenvoudig eerst met een aantal gesprekken in het gebouw. Of, zoals we veel vaker zien, wacht daar doodeenvoudig mee, net zolang tot u bijna alles kwijt bent — uw zelfrespect, plus ook nog uw partner, woning en baan — dus net zolang tot het er eigenlijk niet meer toe doet, tot het niet eens meer hóeft, alleen nog om het naakte bestaan te redden, ja, dat is inderdaad oneindig veel beter.

Ik kwam ooit een tijdlang bij een zelfhulpgroep, de zogeheten Buitenveldertgroep, ik noemde hen al eerder, zij zijn nu over Nederland verspreid. Daar hoorde ik een man opeens beweren: ‘Wát ze ook over ons zeggen, niemand kan ons grijze muizen noemen!’ Dat vond ik vrij eigenaardig klinken, want laat dat nou precies zijn hoe ik verslaafden wél noem. Niets is zo grijs en kleurloos als het door en door voorspelbare leven van de verslaafde. Het voorspel, middenspel en eindspel — tot en met de doodsmak vanaf het dak van het Hilton, hier vlakbij — het staat allemaal tot in detail in de sterren geschreven. En ook staat het in studies die geleerden schrijven, over u en mij. En wanneer geleerden over je schrijven, dan weet je het wel. Net als wanneer je naar het ziekenhuis gaat en ze kunnen niets vinden, dan weet je het ook. Ga dan je koffers maar pakken.

Wat ik wil, voor een deel althans, dat is af en toe iets duidelijk maken. Iets wat bijvoorbeeld raar is, of vreemd voelt, wat bizar lijkt, of domweg volslagen krankzinnig is. Ik noem maar even iets: het feit dat veel cliënten in mijn kliniek hun best doen om behandelaars om de tuin te leiden, hun terugvallen verborgen houden, ja zeggen en nee bedoelen, kortom: zich gedragen als kleine kinderen. Ikzelf deed dat ook, helemaal in het begin, zie bericht no. 1 — de aanloop. Het scheelde niet veel of ik was hier nooit geweest. Het scheelde trouwens óók niet veel of ik was er wél geweest! Er komt een punt dat de verslaafde denkt: vreemd eigenlijk, dat ik nog leef. Dat is inderdaad vreemd, maar het hoeft niet heel lang meer te duren. En dít is nu zoiets, iets wat ik duidelijk wil maken. Immers, de verslaafde schommelt heen en weer, tussen leven en dood, besluit dan om eindelijk in te grijpen, gaat naar de kliniek, en wat doet hij daar? Hij flest de boel, zet iedereen op het verkeerde been, hij manipuleert, liegt en bedriegt, alsof het aangenomen werk is. Maar, zegt u wellicht, waarom doet hij dat, hij komt daar toch omdat hij juist kiest voor het leven? De waarheid is: ja en nee.

Pas wanneer iemand zegt: ‘Dat voortdurende gesodemieter met die gasten, ik begrijp dat wel,’ dan begrijpt hij inderdaad iets van de kern van een verslaving. Ik geef een voorbeeld, van de dwingende kracht van drankzucht. Ik drink nu meer dan een jaar niet, terugvallen nul. Kort geleden zag ik twee getallen, 90 en 10, procenten. Namelijk: 90 procent van de verslaafden redt het niet om hun verslaving vaarwel te zeggen zonder een lange reeks terugvallen. Laten we eerst even aannemen dat dit waar is, want je leest wel meer dingen. Mensen praten elkaar graag na. Goed, ik zit dus bij die 10 procent. Nu zou je verwachten dat ik een gat in de lucht sprong toen ik die cijfers zag. Ik had de hoofdprijs. Nee, niet. Ik voelde direct een doffe teleurstelling, ik had die 90 procent aan mij voorbij laten gaan, geofferd, afgeslagen… Ik had de heerlijkste terugvallen kunnen hebben — o, schone dagen van weleer! let’s drink together, as we did in days of yore — de een na de ander, dat zou normaal geweest zijn, volkomen normaal. Een verslaving is idioot, de terugvallen niet. Maar ik, Pitt Hamson, de verduivelde, de betweter, eeuwige wijsneus, ik wist het weer beter, ik moest en zou bij die 10 procent horen. En nu sta ik hier, stijf van de abstinentie. Zelden voelde ik mij zo’n loser als toen ik die cijfers zag… wat had ik gedaan…

Ik schrijf het nu wat koddig op, maar zoiets voelde ik werkelijk. Ik druk dus iedereen op het hart: lees die cijfers niet! En als u ze hóórt, geloof ze dan gewoon niet! Vertrouw alléén uw intuïtie. Die sleept je hier doorheen, die wel. Weet goed, net als bij het woord uitglijer: uw verslaafde brein ziet het, het ziet die woorden, ziet die cijfers, haakt meteen aan, harkt het naar zich toe, gebruikt het. En geeft u vervolgens toestemming… graaft zijn graf. En als het nu nog alleen zichzelf begroef, maar u gaat mee.

Wat een ellende. Als het niet om te huilen was, was het om te lachen.

En nu we het tóch over mijn dagbehandeling hebben, sodeju, of althans zouden móeten hebben, sakkerju, nu schiet mij opeens iets vreselijks te binnen… Ik biecht het hier gewoon op, ik zeg het gewoon zoals het is… zoals het ging. Want ik bén niet altijd even rustig, even keurig, even netjes, of even keurig netjes welopgevoed. Dat laatste zeker niet, hoewel iedereen zijn best deed om van mij wat te maken. Ik ben een diep doorgesnoeide drankzuchtige, van alle wateren gewassen, altijd een beetje uitkijken met dat soort figuren. We deden de communicatie-module, dat is de training in proberen om gewoon een keer normaal te doen, geleid door Cynthia en Birgit. Dat hield natuurlijk in: theorie én praktijk, het rollenspel… Ooit diep door mij gevreesd, maar ditmaal ging het wel.

Twintig jaar geleden hadden we dat trouwens ook, rollenspel. Het is zo oud als de wereld zelf. Toen ik destijds aan de beurt was, vroeg de behandelaar: ‘Pitt, vertel eens, wat vind jij raar, van de dingen die hier in de kliniek gebeuren?’ Ik kon wel een paar dingen bedenken. Maar ik beperkte me tot:

‘Nou, wat ik wel raar vind, dat is wat je hier ’s ochtends ziet gebeuren.’
‘Oké, wat is dat?’
‘In de ochtend zit een verslaafde in een gemakkelijke stoel. Daar, die rode stoel, met de blankhouten armleuningen.’
‘Goed, ga hier maar zitten, dat ben jij nu.’
‘O. Ik lees de ochtendkrant.’
‘Hier is een krant. En dan?’
‘Nou, dan loopt er een verslaafde voorbij.’
‘Maakt niet uit wie?’
‘Jawel, hij daar, Remco.’
‘Oké. Remco, kom er even bij. Wat doet hij?’
‘Nou, wanneer hij langsloopt, dan rukt hij de krant uit de poten van de verslaafde!’
‘En hoe reageer jij dan?
‘Ik niet. Bij mij doet hij dat niet.’
‘Dan doe je net of je die ander bent. We gaan het spelen.’

Ik zat daar en las de krant. De groep keek gespannen toe. Remco liep langs, met één snelle beweging rukte hij de krant uit mijn handen en liep ermee weg. Ik klapte meteen dubbel van het lachen. Want ik vind gewoon: zoiets dóe je niet. Opnieuw. Weer liep hij langs mij, weer wég krant. Weer moest ik zo verschrikkelijk lachen. Nee, dit ging gewoon niet, ik kon er niks van. De bedoeling was dat ik bij hem verhaal zou halen, op beleefde wijze.

En nu, nu ging het veel beter, maar daardoor werd het ook veel erger. We moeten spelen dat de één een behandelaar is en de ander een cliënt. Cliënt heeft een boete gekregen, 40 euro, wegens het niet komen opdagen bij een afspraak. Daar is hij het niet mee eens, natuurlijk niet. Het eten hier smaakt nergens naar en nu krijgt hij nog een boete ook. Hij moet leren om zijn ergernis hierover beheerst en zakelijk aan mij over te brengen. Aan mij, want ik speel de behandelaar. Zo. In ons grote lokaal zitten nu allemaal tweetallen, iedereen speelt hetzelfde. Ik vind het wel een mooi gezicht. Cynthia en Birgit staan een eindje verderop. Mijn cliënt begint: ‘Ja nou, en dit en dat, onrechtvaardig, schuldsanering.’ Ik speel mijn rol goed en toon begrip. Maar hij houdt niet op! ‘Ja, en zus en zo, en helemaal blut, wekker ging niet af.’ Ik krijg het nu heel erg warm. Misschien leef ik me te veel in, in mijn rol van behandelaar. ‘En de tram reed weg, voedselbank was dicht.’ Niet te geloven, dit geval lult gewoon maar door! Nu kóókt mijn behandelaarsbloed, ik hou het niet meer. Ik kap het gesprek af en zeg: ‘Kop dicht. Jij betaalt je boete. En als je nu je bek niet houdt, verslaafde gek, dan schop ik je voor je kloten.’

Het was eruit voordat ik er erg in had… Gelukkig hoorde bijna niemand het. Ik dacht: ‘Het is gezegd… hier, in dit gebouw.’ Behandelaars kunnen dat niet, zij zijn gewone burgers en hebben gewoon fatsoen. Zij zijn van een ander niveau dan ik. Dat is het verschil. Eigenlijk moet er nu een bordje komen, bij de ingang…

Bericht aan de behandelaars: ‘Het is gezegd.’  

Pitt                                                                                     omhoog

Debra Morgan

14 — de muze

botticelli-birth of Venus detail

‘Wat ga je woensdagavond doen?’ vraagt de behandelaar. Ik antwoord niet meteen, wat bedoelt zij? De kans dat ze mij mee uit vraagt is maar klein. Door mijn zwijgen licht zij toe: ‘Het is je eerste woensdagavond zonder de nazorg.’ Ach! Het meedenken met de cliënt dat behandelaars doen, verrast mij altijd weer, dit praktisch denken, het vooruitdenken, daarin verslaan zij alle cliënten moeiteloos. Training is alles.

Lang geleden kwam ik een keer bij. Dat was in de verkoeverkamer, zoals ziekenhuizen die noemen, ook bekend als de uitslaapkamer en inmiddels zijn we al aanbeland bij de recovery. Het Nederlands wordt nog eens een dode taal. Verkoever komt van vercoevereren, herwinnen. Ik lag daar bij te komen vanwege een kijkoperatie, voetbal, knie, kruisbanden. Al bij het eerste begin van dit vreemde en trage ontwaken — de geest die langzaam omhoog klimt, zijn bewustzijn herwint — voel je hoe je lichaam schreeuwt om water, veel erger nog dan tijdens de ochtenden na een drinkgelag. Hoewel er ook dán in menig slaapkamertje een schreeuwende behoefte bestaat aan water. De nadorst. Een glas, helder zuiver water. Het zijn de buitengewoon spaarzame momenten waarin water een rol speelt in het leven van de drankzuchtige. Hij drinkt het niet, wast zich er niet mee, kookt er niets in. Sommige dingen in zijn omgeving veranderen helemaal van eigenschap; een boom is een ding waar je niet tegen aan moet lopen, water staat in grachten waar je niet in moet vallen. De zeven sloten die gapen. ‘Pollens!, dit is nu al de zévende sloot waar ik vandaag in loop!’ zei Barend Servet, met kroos op zijn kop, in een boerenlandschap. Drankzucht is voortdurend hard werken en goed opletten.

In mijn ziekenhuis is deze geweldige dorst de nawerking van de narcose, maar water kun je wel vergeten, je krijgt het niet. Helemaal níks krijg je hier, dat is het enige eraan, aan deze verkoeverkamer! Ik ben nog dusdanig versuft dat ik als een kind begin te zeuren: ‘Zuster, water… alstublieft.’ En net zo getraind als onze eigen behandelaars draait ze zich naar mij toe en zegt: ‘U mag wel water, hoor meneer Hamson, maar we hebben hier geen glazen.’ Gerustgesteld zak ik weer weg, de donkerte in. Het mág wel… het kán alleen niet… er zijn geen glazen… Ik kreeg: toestemming. Het mócht.

Dat was een fraai staaltje ziekenhuispsychologie. Maar de kracht die van toestemming uitgaat, kan voor de verslaafde rampzalig uitpakken. Een man vertelt in de nazorg dat hij die week op weg was naar de supermarkt, er gebeurde daar iets toevalligs, zijn verhaal kwam hierop neer: hij liet op dat moment kruis of munt bepalen of hij die dag een terugval had of niet. Gods hand, zei iemand in de groep, maar dat lijkt me niet. Niets anders dan de zijde van een munt gaf hem zijn toestemming en hij dronk die dag. Hij vertelt dat met droge ogen, onaangedaan, de groep luistert ernaar met eveneens droge ogen en zwijgt. Deels uit desinteresse en deels omdat zij wel weten hoe dit zal eindigen. Het gaat me nu niet om de terugval zelf, het gaat erom hoe de man het brengt, zijn onverschillige houding ten opzichte van zijn verslaving. Dus ook tegenover die van jou. Ik druk iedereen op het hart: wanneer een verslaafde met dit soort verhalen komt, zwijg dan gerust, maar klim ogenblikkelijk op zijn schouders en blijf daar staan, voel je groter, sterker dan hij. Dit gevoel schenkt hij je. Het is bijna zijn rol in de groep: laten zien hoe het niet moet. Kijk er goed naar, herken de mechanismen, er zitten veel vaste patronen in verslavingen. Het is echt niet zo dat de ene verslaafde veel gekker is dan de andere, helemaal niet, ze zijn hier allemaal even geschift. Met mij erbij. Misschien trekt hij zich later op aan jóu, dat kan allemaal. Bij God en in Nederland, en in dit gebouw, is alles mogelijk.

Ach, dit achtervolgt de Jellinek al sinds de oprichting. Moet je nu toch nagaan: maandenlang was de man hier in behandeling en maakte hij kennis met de cognitieve therapie, de gedachtetherapie, die er voortdurend op hamert: er zijn toestemmende gedachten (om te drinken) en er zijn helpende gedachten (om het te laten). Wees heel erg beducht voor het eerste, leun zwaar op het tweede. Dit hoort hij dus lange tijd, maanden achtereen. Daarna wandelt hij de kliniek uit, gooit een munt op en drinkt. Waar is de grote Pavlov wanneer je hem nodig hebt? Ik heb aan niemand zo de pest als aan Pavlov. Met z’n dikke lul. En zijn zelfontworpen standbeeld in Sint-Petersburg, een beeld van een hond! Nee, ik mag ’m niet, die man, een onsympathiek individu. Een nare man is het.

Denk niet, lezer, over de verslaafde die ik nu beschreef, denk niet over hem: wat een eikel, die kerel. Denk dat nooit, want die verslaafde, dat bent u ook! Alles wat hij doet, kunt u ook, misschien nog wel erger. Misschien begint u na de behandeling weer te drinken en denkt u daarna met uw dronken hoofd: er is geen weg terug. Als u dat doet en dát denkt, dan zouden ze u moeten vervolgen, ten minste een kilometer of veertig! Bij de finish slaan ze u een blauw oog en een behandelaar staat klaar om u even te waterboarden. Ah, toch weer wat water in uw mik.

Intussen moeten we iets heel belangrijks niet vergeten. Dat zijn de muzen. Ooit waren er negen, negen dochters van Zeus, Griekse godinnen dus, beschermvrouwen van de kunsten. Zij woonden op de Parnassus, de berg. Vooral dichters bestijgen deze berg nog weleens, zij klimmen dan 2500 meter hoog, zien uit over de wereld en tonen hun werk. Daarom zeg ik altijd tegen dichters, wanneer die haperen: omhoog! En laat zien wat je doet, laat het ons lezen. Net zolang tot zij zeggen: ‘Jij hebt gewonnen.’ Toen ik begon met het schrijven van deze weblog, had ik veel last van niet-helpende gedachten, zoals: ‘Ach, wie leest dit nou, is dit wat, waar doe ik het voor, waar hoop ik op?’ Om die gedachten aan flarden te kunnen schieten, te ontmaskeren, werd het me duidelijk dat ik een muze nodig had. Zij is degene die jou ziet, zij is de zuiver toestemmende gedachte, die laat merken: zo is het goed. Meer doet zij niet.

Om de juiste muze te vinden, maakte ik eerst een profielschets.

zij nu, heeft…
prachtige kleren
en goudblonde lokken
Ogen als meren
die niet kunnen jokken
Een mond als van honing
dan weer scherp als een mes
Haar vader is koning
en zij een prinses.

Ik vond haar. Maar voordat u nu denkt dat deze weblog het plaatselijke Muzenkrantje is geworden, trek ik de kern hiervan door naar de behandeling in een kliniek. Dan heb ik het nu over: behandelaars en statusverhoging. Gewichtsverzwaring.

De Heinzekliniek, twintig jaar geleden, aan het einde van mijn verblijf. Alles is goed gegaan, al snel kan ik de kliniek verlaten, daar verheug ik me op. Opeens krijg ik het advies: je blijft nóg een maand. Een verlenging, mijn drie maanden gaan dan naar vier. Mijn eerste reactie is: ‘Geen sprake van. De behandelaars hier worden met de dag gekker.’ De tweede reactie: ‘Het is wel de Jellinek die dit aanbiedt, denk er over na. Misschien zien zij iets wat ik zelf niet zie.’ Maar ik kom er niet uit. Ik kan geen besluit nemen en ik heb nog maar een paar dagen.

Soms, wanneer het knettert en vonkt, wanneer het kraakt en de eerste barst zichtbaar wordt, dan kan er opeens iets gebeuren tussen cliënt en behandelaar. Die behandelaar weet dat helemaal niet. Wat je doet is: je verhoogt zijn status, omdat dat plotseling nodig is, je zegt in gedachten: ‘Trek mij hier nu doorheen.’ Bewust of onbewust: je geeft hem extra veel gewicht. Iets in hem of in haar, veroorzaakt dat. Dat hij dat niet weet, is des te beter, wat moet hij ermee? Dit is de werkelijke band die tussen cliënt en behandelaar kan ontstaan, die opeens de diepte in gaat — hoezeer het ook eenrichtingsverkeer is — een band die altijd onuitgesproken blijft. Nou ja, bijna altijd.

Een paar dagen later, de rooktuin, dat is ons kleine binnenterrein. Maandagochtend, ons groepje zit buiten in de zon, met een behandelaar, we doen de weekend-nabespreking. Een belangrijke module, wat deed je met je twee vrije dagen? Wie te vaak zegt: niks, die krijgt de vraag voorgelegd: hoe dacht je dat stráks dan te gaan doen? Een cliënt stelt de behandelaar een wedervraag: wat deed jij met je weekend? Die geeft gewoon antwoord. Hij is een getrainde wielrenner en was gaan fietsen, met vrienden, plezierfietsers. Door het land van Nescio, dat is het waterland rond Amsterdam, waar de stad plotseling eindigt in weiland. Durgerdam, Uitdam, Ransdorp, Zunderdorp, Holysloot. De cliënt: ‘Vond je dat niet vervelend, dat jij je op de fiets moest inhouden?’ De behandelaar haalt zijn schouders op en zegt: ‘Och, soms is het goed dat een ander het tempo bepaalt.’

Dit ene, zo achteloos uitgesproken zinnetje… ‘soms is het goed dat een ander het tempo bepaalt’… uit zijn mond, over zijn eigen leven… ik was om. Ik ging akkoord met de verlenging en bleef nog een maand. De behandelaar had geen idee dat hij dat bepaald had. Ik vertelde het hem later, op de valreep van mijn vertrek. Dat was Bob. Waar ben je nu, Bob, wat doe je? Fiets je nog? Behandel je nog? Van toen is er niemand meer. Maar er zijn weer nieuwe, anderen.

De Jellinek revisited. En opnieuw, de recovery. De verkoeverkamer.

Pitt                                                                                          omhoog

tuin sepia

13 — afscheid & vertrek

warmerdam

Af en toe, zoals nu bijvoorbeeld in dit bericht, neem ik u even mee verderop, het heden in. Dat is wanneer zich iets voordoet dat van belang is en zolang het past binnen de vertelling van deze weblog. Misschien is het klein voor de wereld buiten het gebouw en alleen maar groot voor mij. Dat kan allemaal zijn. De proporties van de dingen, de verhouding van alles, veranderen een beetje tijdens zo’n eerste jaar droogstaan. Niet alles wat je ziet en meemaakt speelt zich af op ware grootte. Wanneer alles gaat zoals je hoopt en wilt, dan groeit het daar wel weer naar toe. En groeien of verdorren, daar draait het nu allemaal om.

Afgelopen woensdag, om precies 20.15 uur, krijg ik een kwartier lang het woord, een nawoord, tijdens mijn laatste avond in de nazorg. Ik neem afscheid, na een jaar. Drie maanden en een jaar. Ik trek weer verder, maar zonder diep gevoel van weemoed gaat dit vertrek niet. Het was zo verschrikkelijk belangrijk dat het goed zou gaan, er hing zo veel van af, van dit gebouw, de mensen hier, van mij. Minuten telden dubbel, uren gingen niet voorbij, momenten die nooit meer weggaan. En de dagen, ach, de dagen…

Dit laatste woord krijg ik uit handen van nazorgduo Martin en Reyna. Deze Martin is dezelfde als de man van de dagbehandeling en Reyna sloop in deze weblog al een enkele maal een bericht binnen, sneaky, ongemerkt en nog naamloos. U ziet haar straks terug, wanneer ik in dit verhaal aan het begin sta van de nazorg. Als het daar ooit van komt. Als u en ik dan nog in leven zijn. Of op zijn minst nog wakker. Waak nog even! Vergeet niet: dit verhaal eindigt hoe dan ook zoals de Onvoltooide, de nooit afgemaakte symfonie van Schubert, het stopt gewoon een keer, zonder slotakkoord. Er komt dan hooguit een soort laatste ronde en dan is het ook de hoogste tijd, tijd waarin de namen van de mensen hier alleen nog gefluisterd worden, tijd waarin ik zelf op alledaagse wijze zal vervagen, meer en meer, tot ik er eenvoudig niet meer ben. En uiteindelijk blijft er dan maar één ding over: de kern, van dit verhaal.

Waar het allemaal om begonnen was.

Het is half zeven in de avond en mijn laatste avond in het gebouw gaat in, de hele groep zit aan een lange tafel. De avond kon niet mooier beginnen: een cliënt haalt een opmerking aan die een ander veel eerder maakte en zegt erbij dat hij daar nog steeds veel aan heeft. Dit is nu typisch de kracht van de groep, je hoort iemand iets zeggen en je neemt het mee. Trekt je eraan op. De opmerking staat op naam van maquettebouwer Michaël. De cannabisman die het oppikte heet Frey, de tengere handelaar in kerstartikelen. Michaël drinkt al ruim een jaar niet en zat daarover wat te somberen, namelijk: waar blijft mijn beloning nou? U weet dat verslaafden er van houden om beloond te worden. Bestraft worden zij natuurlijk ook, maar beloningen werken nu eenmaal sterker. Hoe dan ook, hij zei toen: ‘Er zitten weliswaar geen echte voordelen aan mijn niet-drinken, maar ik heb de nadelen in ieder geval ook niet.’ Ik begrijp Frey heel goed, dit is inderdaad iets om je aan vast te houden. Het grappige aan Michaël is: veel van zijn beloningen zijn er allang, hij ziet ze alleen nog niet. Hij denkt nog te tastbaar, te voelbaar, te veel in specifieke vormen, zoals: ‘Waar blijven nou mijn hete nachten met Anouk?’ Hm. Zelf denk ik dat ook weleens, maar mijn nachten met haar komen waarschijnlijk nog.

Je moet gewoon je beurt afwachten.

Ik spreek eerst de beide behandelaars hartelijk en uitvoerig toe, bedank hen voor hun kundigheid en inzet. Het is niet alleen chic om dit te doen, ik méén het volmondig. Dan richt ik me tot de groep. Omdat die bijna helemaal nieuw is, nog maar pas binnengekomen, en ik dus ook nieuw ben voor hen, zeg ik niet wat ik had wíllen zeggen. Dat had domweg te veel tijd gekost en ook hadden zij kunnen denken: wat is dit voor gebazel? Weliswaar trek ik me daar niet veel van aan, maar het zou zonde zijn van de tijd. En bovendien: deze weblog is er ook nog!

Allereerst had ik, als iemand die nu een jaar niet meer drinkt, iets willen zeggen over een gedachte die ik onlangs kreeg. En diezelfde gedachte had ik óók in de laatste jaren dat ik dronk! Toen hield het mijn verslaving in stand. En nu doet het precies het tegenovergestelde. De gedachte is één enkele zin, uit een boek van Tip Marugg, een man uit Curaçao, een zin uit De morgen loeit weer aan. De schrijver drinkt te veel, op zijn eiland mijmert hij wat over het leven en concludeert over zijn drankzucht: ‘Er is geen weg terug.’ Vanaf het moment dat ik dat las, dacht ik precies hetzelfde. En nu denk ik het weer. Nú denk ik: mijn abstinentie is te ver onderweg, er is geen weg meer terug.

Dat is het eerste wat ik de groep had willen zeggen. Houd vol, tot je voelt dat er eigenlijk geen weg terug is. De eerste stap is dan achter de rug. Het tweede wat ik gezegd zou hebben gaat over schoonheid, het is, ook híer nu, een serieus voorstel.

‘Lotgenoten, vanavond neem ik afscheid van jullie. Maar we zien elkaar nog eenmaal, dat spreken we nu af, op woensdag 9 maart, vroeg in de morgen. We verzamelen ons dan om 07.50 uur bij de Oude Kerk, op de Wallen. Om tien voor acht openen de kerkdeuren, we gaan naar binnen en wij zijn daar — samen met honderd tot tweehonderd anderen — omdat er op die plek, eenmaal per jaar en altijd op 9 maart, iets bijzonders gebeurt. Het is een gebeurtenis voor de ziel, daarom moeten onze twee behandelaars ook komen. Door de hoge kerkramen valt het vroege zonlicht in banen naar binnen, we volgen één bepaalde lichtbundel, die langzaam over de stenen vloer kruipt. Slechts eenmaal per jaar, precies om 08.39 uur, raakt dit licht het graf van Saskia.’

Waarschijnlijk zou ik hier even pauzeren, zodat het doordringt. En dan weer verder:

‘Saskia was de vrouw van Rembrandt, ze stierf jong, op 29-jarige leeftijd, in juni 1642. Rembrandt was dol op haar, een erg lange tijd raakte hij geen penseel meer aan. In dat jaar had hij juist de Nachtwacht voltooid, toen was hij 36. Hij ligt begraven in de Westerkerk en zij ligt hier.’

Ik ken deze groepen nu goed, ik kijk de tafel rond, niemand zegt iets. Daarom:

‘Ik zal het toelichten. Hoeveel van de mensen, die hier nu aan deze tafel zitten, verwacht ik op 9 maart te zien? Om precies te zijn: nul. Waarom dring ik er bij jullie dan tóch op aan om te komen? Júist omdat de verwachting nul is! Ik hoorde hier pas nog iemand zeggen: “Ik gebruik niet meer. Ik voel dat ik veranderd ben.” Dat is mooi, maar het zijn nog maar woorden, laat het zien. Anders gezegd: show, don’t tell. Verras jezelf volkomen door op deze ochtend te verschijnen. Verras je omgeving erbij. Zij komen echt niet, jij wel. Wanneer zij horen dat je hier was, kunnen zij maar één conclusie trekken: “Het is waar, er is iets veranderd in hem.” Of bij haar. Juist wanneer je denkt: wat moet ik daar in die kerk, dat is niets voor mij… kom dan! Beschouw het als het eerste écht nieuwe wat je in dit nuchtere leven doet. De ervaring is er wonderlijk genoeg voor.’

Dit alles zou ik woensdagavond gezegd hebben. En nu dus ook. Ikzelf was er vorig jaar, net na mijn dagbehandeling. Ik wilde dat al veel langer, maar het kwam er nooit van. Doelbewust ging ik vorig jaar dus wel. Ook dit jaar zal ik er zijn. Er is koffie, een broodje, iemand speelt op een houten dwarsfluit en nadat het zonlicht Saskia’s grafsteen raakte — of zo u wilt: nadat het licht haar graf kuste — volgt een korte lezing over een aspect van Rembrandts kunst. Rond half tien gaat iedereen weer. De entreekosten bedragen iets van 5 euro. De kerk zelf is uit 1306 en is van binnen prachtig om te zien. Het moet die dag wel onbewolkt zijn, maar vaak is het dat ook, zo vroeg nog.

Dit bezoek aan de Oude Kerk, die dag en dat uur, vat ik op als een eerbetoon, een ode. Een ode aan de kunst, de liefde en het licht. Een ode aan de schoonheid.

Pitt                                                                                   omhoog

Saskia2